Een foto van de wind

Sommige stations van de ondergrondse hebben een akoestiek als van een concertzaal. Dat is niet de enige overeenkomst. Er is ook publiek, en daarom is het geen wonder dat er muzikanten zijn. Soms eerste klas kunstenaars, voorzover ik kan beoordelen. Je komt zo'n station binnen. Het is spitsuur, volle perrons, en toch is het er stil. Onder de grond gaan de meeste mensen zachter praten. De musicus brengt zijn viool aan de schouder en zet zijn strijkstok aan de snaren. Hij speelt met hart en ziel, het is ongelofelijk mooi. Dan klinkt uit de tunnelbuis gerommel, uit het donker naderen twee felle ogen. Als je niets van ondergrondse treinen wist en je stond volstrekt onvoorbereid op het perron, zou je denken dat het einde der tijden was aangebroken. Nu denk je: jammer van de muziek. Als je dicht genoeg bij hem bent, geef je de kunstenaar zijn honorarium. Je stapt in en de trein rijdt verder.

Gepasseerd station. Die uitdrukking is een jaar of twintig geleden in de Haagse politiek ontstaan. Er zit een ondertoon van minachting, leedvermaak in. Meneer de voorzitter, wat deze geachte afgevaardigde te berde brengt is een gepasseerd station. Die man leeft in het verleden, hij snapt het niet, hij is een sukkel. Let op ons. Wij snellen verder de toekomst in. Wat gebeurt er intussen met de muzikant op het gepasseerde station?

Deze week viert de New Yorkse Subway zijn honderdste verjaardag. De New York Times heeft er al een paar pagina's aan gewijd. Op de dag zelf was er onder andere een gesprek met Lorenzo LaRoc, de Jascha Heifetz van dit openbaar vervoer en waarschijnlijk een van de rijksten. Hij bespeelt een soort snareninstrument dat lijkt op een viool, maar het is van plexiglas. Het geluid wordt elektrisch versterkt. Daarvoor heeft hij nog een klein magazijn aan hulpmiddelen nodig, waaronder de accu van een auto. Dat zijn zware dingen. Zijn zaal is het station onder het Grand Central bij de 42ste Straat. Daar begint hij 's ochtends om een uur of zeven. Eerst legt hij een stuk of vier dollarbiljetten in de vioolkist, het `zaaigeld'. De mensen zijn eerder bereid geld te geven als ze zien dat anderen dat ook al hebben gedaan.

Hij begint te spelen. Zijn repertoire bestaat uit twee eigen composities, Savage Lover en Montuno in F. Ieder recital duurt viereneenhalve minuut. Dan verdwijnt het publiek in de trein, waarna een verse menigte binnenstroomt. Daar komt de volgende Savage Lover. Dat gaat zo door tot een uur of tien. Intussen verkoopt hij ook cd's met zijn muziek. Aan het einde van het concert heeft hij zijn nummers een twintig keer gespeeld. De vioolkist was goed gevuld met biljetten en op deze verjaardag had hij nog 67 cd's met zijn muziek verkocht, voor tien dollar per stuk. Een meester.

Het openbaar vervoer in New York vind ik een wereldwonder. Wel is het ingewikkeld. Je hebt lijnen die een letter dragen, de A-trein (denk aan Duke Ellington), de B en de D, de C en de E, de L en nog een paar. Die hebben ook verschillende kleuren. Dan zijn er lijnen met cijfers, de 1 en de 9, de 2, de 3, de 5 en de 6, die zich ook door kleuren onderscheiden. Er zijn boemels en expresstreinen. Op sommige stations kruisen bepaalde lijnen elkaar op verschillend niveau. Wil je overstappen, dan moet je een niet eenvoudige bewijzering volgen. Dat is allemaal ondergronds. Op straat rijden de bussen, in de lengte en de breedte van Manhattan. Heb je haast en het is spitsuur, dan kun je beter gaan lopen. Dat moet je allemaal leren.

Voor een vreemdeling is in iedere stad het openbaar vervoer een raadsel dat in het gebruik moet worden opgelost. Ik ken iemand die al zijn hele leven snel rijk wil worden. Toen de wereld er nog vriendelijker uitzag dan nu, had hij weer eens een oplossing bedacht. Hij wilde een brochure maken. Die zou heten Public Transport in the Global Village. Daarin werden alle geheimen van het openbaar vervoer in alle grote steden ontsluierd. Hoe je in Moskou in de bus zelf je kaartje moet knippen. Het mysterie van de Nederlandse strippenkaart dat iedere vreemdeling radeloos maakt. Hoe je met wat moet betalen. Hoe je moet voorkomen dat je in een sneltrein stapt die je station van bestemming voorbij raast. In Rio de Janeiro, had hij gehoord, mag je op een kinderkaartje reizen als je klein genoeg bent om rechtop onder het tourniquet door te kunnen lopen. In de Amsterdamse metrostations staan van die vervaarlijke metalen paaltjes die nergens toe dienen. Als wereldreiziger zou je al die wetenschap meteen tot je beschikking moeten hebben. Vandaar zo'n brochure, te koop op alle vliegvelden en alle stations. Of een cadeautje dat een luchtvaartmaatschappij haar passagiers geeft. Met dit Ei van Columbus is het dus niets geworden.

Openbaar vervoer behelst de poëzie van de grote stad. Op zeker ogenblik komt de trein boven de grond. Je bent in een buitenwijk, of de rafelrand, het terrain vague waar het bestuur, de planners, de regelaars al een eeuw Gods water over Gods akker hebben laten lopen. Wat de generaties daar bij elkaar gesmeten hebben, laten roesten, nieuwe fabrieken neergezet, die fantastische chaos geschapen, dat kan geen mens opzettelijk verzinnen. En dan een viaduct gebouwd waarover de trein nu voorzichtig, als een zieke rups naar zijn eindpunt kruipt, zodat je alles ongestoord kunt bezichtigen.

Openbaar vervoer schenkt je de kleine vakantie terwijl je op weg naar je werk bent, daar anoniem zit, zonder te worden aangesproken, zonder verplichtingen voor de duur van de reis. Probeer er een beschrijving van te geven. De journalist van de Times gaf het antwoord. Probeer een foto van de wind te maken. Ga waar ook ter wereld in een willekeurige bus, tram, metro zitten en rij naar het eindpunt; en misschien weet u wat ik bedoel.