De erotiek van de geeuw

Geeuwen is wijdverbreid maar de kennis over dit fenomeen is mager. Wolter Seuntjens promoveerde woensdag op een encyclopedisch overzicht van het gapen. Geeuwen heeft een erotische kant.

TOEN WOLTER Seuntjens, nu huisman te Veghel-Zuid, vijftien jaar was, nodigde een knappe vrijgezelle jongedame de scholier uit om haar schaken te leren. Na afloop van zo'n schaakles, tamelijk laat in de avond, begon ze te geeuwen en nodigde ze Wolter uit haar te helpen het bed op te maken. ``Ik was toen meer geïnteresseerd in schaak'', herinnert Seuntjens zich. ``Wel vroeg ik me later af wat haar geeuwen kon hebben opgewekt. Was het mijn uitleg van het damegambiet? En wat kon ze ermee hebben bedoeld – voor zover er van een bedoeling sprake was?''

Inmiddels heeft Seuntjens (43) een idee. Woensdag promoveerde hij aan de Vrije Universiteit cum laude op het proefschrift On Yawning or The Hidden Sexuality of the Human Yawn. Het boek (464 blz., waarschijnlijk komt er een handelseditie) biedt bovenal een systematisch-encyclopedisch overzicht van alle beschikbare kennis over de geeuw. Die kennis lag niet voor het oprapen. Na zijn afstuderen in 1986 bij de Utrechtse psycholoog Piet Vroon, op de geschiedenis van de Nederlandse godsdienstpsychologie, startte Seuntjens zijn onderzoek, daartoe aangespoord door het opmerkelijke geeuwen van docent René van Hezewijk tijdens een groot mondeling examen op vijf opeenvolgende vrijdagmiddagen. ``Al snel ontdekte ik dat de geeuw nogal veronachtzaamd is'', zegt Seuntjens in zijn woonkamer in Veghel. ``Wetenschappelijk is hij over het hoofd gezien. Geeuwen wordt gezien als triviaal en betekenisloos, maar niets is minder waar. Het is een bijzonder complex verschijnsel, met een erotische kant.''

Seuntjens heeft bij het vergaren van informatie over de geeuw – ``postzegels verzamelen'' – geput uit bronnen van alle tijden en plaatsen, op velerlei terrein: semantiek en etymologie, sociologie, psychologie, geneeskunde (anatomie, fysiologie, pathologie, farmacologie), biologie en de kunsten (literatuur, film, beeldende kunst). De schaarste aan academische publicaties bracht hem ertoe zijn netten breed uit te werpen. Vrienden en bekenden stuurden van alles toe, waaronder een tekening van Kamagurka waarop een verveelde naakte vrouw haar echtgenoot gapende schaamlippen toekeert, maar het meeste materiaal heeft Seuntjens zelf gevonden. In bibliotheken in binnen- en buitenland ploegde hij zich door talloze handboeken.

begeerte

Achttien jaar heeft het project geduurd. Altijd deed hij er van alles naast. Seuntjens was leraar, deed in Italië verschillende dingen voor de EU, en nu heeft hij zijn gezin. Zijn vrouw Klára Devich is lerares en vertaalster naar het Hongaars. Toen ze met Margriet de Moor bezig was, wees ze haar echtgenoot op een passage uit De vituoos, op bladzijde 89: `Opnieuw slingerden onze schoenen over de vloer. We dronken uit hetzelfde glas. Gasparo rekte zich geeuwend uit en ik wist dat dit betekende: ik heb eigenlijk wel zin.' Prompt belde Seuntjens naar Amsterdam om bij De Moor navraag te doen. ``Ze had er nooit bij stilgestaan. Niet dat ze het niet bedoeld had. Let wel, lang niet alle gapen zijn erotisch maar in dit geval kan ik er toch echt niks anders van maken.''

In zes hoofdstukken brengt Seuntjens in kaart wat hij aan geeuwmateriaal heeft opgedoken (voor de biologie: zie kader). Bronnen op het vlak van semantiek en etymologie leidden al snel tot de constatering dat geeuwen en begeerte, in het bijzonder naar seksualiteit, vaak samengaan. `Begerte gaept altoos zo wide', zei Hadewijch in de dertiende eeuw. En Jacob Cats dichtte: `Te plegen echte min, en by den man te slapen, / En echter met den lust naer vreemde lust te gapen.' Ook ontdekte Seuntjens dat `yawning' slang is voor vrouwelijke zelfbevrediging: het staat nummer 92 op de lijst van 122 uitdrukkingen voor die handeling, in 1995 door Theresa Kimm samengesteld voor het magazine Women who masturbate.

De academische sociologie heeft zich nauwelijks met gapen ingelaten. Seuntjens ging daarom te rade in handboeken over etiquette en bijgeloof, verzamelingen spreekwoorden en gezegdes, romans, dichtbundels, enzovoort. In tegenstelling tot niezen staat gapen sinds mensenheugenis in een kwaad daglicht. Geeuwen in het openbaar geldt nu als onbeleefd. Een geeuw valt bijna niet te onderdrukken en maskeren lukt evenmin. De gaper hoort zich af te wenden en zijn hand voor zijn mond te brengen, alles om de indruk weg te nemen dat zijn gezelschap hem verveelt.

Vroeger lag die rationalisering voor het taboe op geeuwen anders. In de Middeleeuwen en Renaissance had gapen het gevaar dat de ziel het lichaam door de geopende mond verliet, of dat de duivel binnentrad. Om het kwaad voor te zijn maakte men met de vingers een kruisteken voor de mond, of riep al geeuwend Gods naam. Van het tonen van ontblote tanden ging dreiging uit – afbeeldingen van de gapende hellemond getuigen ervan – en ook rottende tanden en slechte adem bevorderden het taboe op gapen. Dat alles speelt niet langer, en dus moet er volgens Seuntjens sociologisch gesproken een andere, verborgen reden zitten achter het hedendaagse taboe op de geeuw.

De psychologie schiet hem daarbij te hulp. Vaak wordt gapen geassocieerd met verveling en ledigheid. `Het is een vorm van gapen', antwoordde Theo van Gogh op de vraag wat hem bezielde zoveel mensen tegen zich in het harnas te jagen. Dat geeuwen te maken heeft met slaperigheid klopt, maar Seuntjens haast zich te benadrukken dat slaperigheid alléén de geeuw niet kan opwekken. ``Als een saaie gast blijft plakken ga je geeuwen. Maar zodra hij weg is geeuw je niet langer, en dat terwijl je even moe bent.''

Die constatering opent de deur naar het psychologiseren, vindt Seuntjens. Gapen blijkt een psychische reactie op nervositeit en spanning te zijn, bijvoorbeeld bij atleten voor de start, of bij bloeddonoren in de wachtkamer. Het komt dicht bij overspronggedrag.

Ook is er een link met seks. Patiënten van de Amerikaanse seksuologe Barbara Keesling rapporteerden dat bij het vrijen een orgasme regelmatig gepaard ging met gapen – tot misnoegen van de partner. Over Margriet de Moor hebben we het al gehad. Duits bijgeloof zegt dat wanneer een jongeman en zijn vriendinnetje samen gapen, er meer aan de hand is dan sympathie alleen. `Honderd keren per dag gaap ik en strek ik mij omdat mijn dame de beste is van allemaal', zong een Franse troubadour in de twaalfde eeuw. En in 1659 nam James Howell, `Historiographer Royal' van Charles II, in zijn verzameling gezegden en spreekwoorden deze wijsheid op: `When a woman doth yawn and stretch, who understands not her meaning is a silly wretch.' Seuntjens: ``Gapen, zo zeggen deze voorbeelden, is lichaamstaal voor erotische belangstelling, oplopend van sensuele sympathie tot pure geilheid.''

De fysiologie weet nog altijd geen raad met gapen, oorzaken en functies zijn onduidelijk. Moderne neurologische handboeken negeren de geeuw. Pathologisch gapen is gerapporteerd bij mannen met hondsdolheid (in een gevorderd stadium), in combinatie met erecties en zaadlozing. In de farmacologie zijn stoffen bekend die gapen genereren én een seksuele respons opwekken. Seuntjens: ``In de jaren tachtig rapporteerden Canadese psychiaters vier van zulke gevallen bij slikkers van het anti-depressivum clomipramine. Eén van die patiënten vraagt: Hoe lang mag ik dit middel nog gebruiken? Telkens als ik gaap ervaar ik een orgasme.''

Het meest speculatief vindt Seuntjens zijn hoofdstuk over gapen in de kunsten. Onmiddellijk dringt zich de vraag op of de expert – Seuntjens – de artistieke geeuw beter begrijpt dan de kunstenaar zelf, of er sprake is van een onbewuste betekenis. De nadruk in het proefschrift ligt op beeldende kunst. Geeuwen in de schilder- en beeldhouwkunst is zeldzaam. Seuntjens geeft vier redenen voor deze afwezigheid: het vangen van een geeuw in een `still' is technisch lastig, een geeuw is onappetijtelijk, een gapende mond met ontblote tanden jaagt de toeschouwer schrik aan en er rust een taboe op de geeuw. Seuntjens: ``Wat je wel in overdaad aantreft is wat ik `Houding X' heb gedoopt: gestrekte houding, armen omhoog, handen al dan niet achter het hoofd of de nek gevouwen. Zoals de zucht soms een auditief aftreksel is van de complete geeuw, is Houding X – die vreemd genoeg in de kunstgeschiedenis nooit onderwerp van serieuze studie is geweest – dat in het visuele geval. Dat Houding X erotisch geladen is, lijkt me evident. Vooral het tonen van de oksel is belangrijk: okselhaar verwijst naar schaamhaar. In de beeldende kunst neemt de relatief onschuldige Houding X de plaats in van de strekhouding bij gapen, waarop een taboe rust. Aldus is de geeuw, zij het onbewust, toch in de beeldende kunst aanwezig, met inbegrip van de associatie met erotiek.''

slag of stoot

Bij zo'n multidisciplinair onderwerp en zo'n in 't oog springende uitkomst zal het geen verbazing wekken dat Seuntjens proefschrift niet zonder slag of stoot tot stand is gekomen. Bij de start in 1986 bleek Piet Vroon geen trek in het onderwerp te hebben. In de jaren negentig zocht Seuntjens contact met de Utrechtse socioloog Frans Leeuw, destijds tevens hoogleraar-directeur humaniora van de Open Universiteit. Dat leidde in 1998 tot een diepgaand methodologisch meningsverschil.

Seuntjens erkent dat hij voor zijn hypothese – `geeuwen heeft een erotische kant' – geen keiharde rechtstreekse bewijzen heeft weten aan te dragen. Wel meent hij zoveel circumstancial evidence te hebben bijeengesprokkeld dat ``een kritische grens'' aan ``gewicht'' is overschreden en hij voelt zich dan ook gerechtigd zijn hypothese als `waar' aan te merken. Seuntjens: ``In mijn analyse gebruik ik een aantal `postzegels' – om die geuzennaam nog maar eens te hanteren. Per stuk onvoldoende voor een bewijs, maar in samenhang is de conclusie onontkoombaar. Ik vind dat ik de relatie tussen geeuwen en erotiek overtuigend heb aangetoond.''

Leeuw ziet dat anders. Als rechtgeaard popperiaan deelt hij de instelling van Richard Feynman. Ofwel, zodra je als onderzoeker een idee krijgt is het eerste wat je te doen staat: `to prove yourself wrong as quick as possible'. Leeuw vindt dan ook dat Seuntjens bij het toetsen van zijn hypothese veel te weinig op zoek is gegaan naar alternatieve verklaringen. ``Je moet als een detective te werk gaan en alternatieven stuk voor stuk zien af te vinken. In plaats daarvan heeft Seuntjens vooral gezocht naar bronnen die in zijn kraam van pas kwamen. Verificatie in plaats van falsificatie. Ook mis ik een kwantitatieve instelling: bij hoeveel indirect bewijs overschrijd je een kritisch gewicht? Ook laat Seuntjens de methodologische kwaliteit van de door hem aangehaalde onderzoekingen volstrekt in het midden. Ik vond dat Seuntjens zich te weinig van mijn zorgpunten aantrok.''

achilleshiel

``Natuurlijk is mijn methodologie onorthodox'', beaamt Seuntjens. ``Maar van de strenge opvattingen van Leeuw kreeg ik een punthoofd. Dat wordt niks, dacht ik, hij mag misschien gelijk hebben maar zo werkt het niet. Zeker niet bij een multidisciplinair project als het mijne, waar je én met literatuurwetenschap én met psychologie én met farmacologie in de weer bent, ieder met hun eigen methodologie. Gelukkig heeft Jean-Baptist Bedaux, kunsthistoricus aan de VU, zich toen over mij ontfermd en me over het dode punt heen geholpen. `Better roughly right than precisely wrong', vond hij. Bedaux is zowel verloskundige als peetvader van mijn werk. Maar zoals hij in zijn laudatio woensdag opmerkte: de methodologie was de achilleshiel.

Seuntjens: ``Met opzet hebben we een brede leescommissie van het proefschrift samengesteld, opdat alle hoofdstukken afgedekt zouden zijn. Maar de Nederlandse hoogleraren psychologie die we benaderden wilden zich niet compromitteren. Robert Provine, een autoriteit op het gebied van de lach en iemand die in de jaren tachtig in Baltimore experimenteel onderzoek deed aan gapen, wilde wel. Hij was heel enthousiast over mijn proefschrift en schreef een lovend rapport. Hij vond mijn aanpak buitengewoon waardevol, roemde de breedte van de studie en had geen enkel probleem met de door mij gehanteerde niet-kwantitatieve benadering. Toen ik dat las, nog wel van zo'n internationale autoriteit, viel er een zware last van me af.''

Waartoe geeuwen wij? Seuntjens' speurtocht door de menselijke cultuurhistorie –durf en hang naar avontuur genoeg – heeft tot een negatieve en een positieve uitkomst geleid. Seuntjens loopt bestaande geeuwtheorieën stuk voor stuk na, om te constateren dat ze geen van alle deugen. ``De hardnekkigste misvatting is wel dat geeuwen met zuurstofgebrek in de hersenen te maken zou hebben [zie kader]. Samen geeuwen leidt niet tot synchronisatie van waak- en slaapritme. En fysiologische theorieën, bijvoorbeeld dat slaperigheid geeuwen veroorzaakt, zijn of weerlegd of missen iedere experimentele ondersteuning. Het kan niet anders of er zit een psychologische theorie achter het geeuwen. Maar welke? Helaas, ik heb hem niet boven water gekregen. Dat is de negatieve uitkomst. Positief is dat ik overtuigend heb aangetoond dat geeuwen een erotische kant heeft. De ervaringsdeskundige – iedereen – mag van mening zijn dat zoiets sufs als geeuwen haaks staat op erotiek, ik raad hem aan voortaan goed op andermans gapen te letten.''

Pas veertig jaar later trad landgenoot Robert Provine in de voetsporen van Moore. De man van de lach (Laughter, a scientific investigation, 2000) deed in de jaren tachtig met collega's van de Universiteit van Maryland experimenteel onderzoek aan gapen. Bij proefpersonen die aan gapen moesten denken duurde een geeuw gemiddeld 5,9 seconde, trad hij 0,9 keer per minuut op en ontbrak ieder verband tussen geeuwduur en geeuwfrequentie. De kaken op elkaar geklemd houden houdt het geeuwen niet tegen en gaf een onaangename sensatie. Bij het kijken naar een video (duur: 5 minuten) met gapers gaapten 23 van de 42 proefpersonen mee (in geval van een video met glimlachen lag dat getal op 5). Geeuwen in een tekst wekt veel meer gegeeuw op dan een op schrift gestelde hik. Stuk voor stuk zijn het prozaïsche, weinig schokkende uitkomsten, maar behaald met een solide onderzoeksopzet.

Later ging Provine proefondervindelijk na welke facetten van het gapende gezicht tot meegapen uitnodigen, om te concluderen dat zelfs een geopende mond niet per se hoeft. Ook ontkrachtte de Amerikaan theorieën dat gapen te maken zou hebben met een verhoogd gehalte aan kooldioxide in het bloed, dan wel een verlaagd gehalte aan zuurstof. Studenten die pure zuurstof of lucht met 3 à 5 procent extra kooldioxide in te ademen kregen, geeuwden niet noemenswaardig anders. De veelgehoorde opvatting dat zuurstoftekort in de hersenen tot geeuwen leidt, is daarmee van de baan.

Experimenteel onderzoek naar geeuwen staat nog in de kinderschoenen, zoveel is duidelijk. Seuntjens zou wel gewild hebben, en heeft ook bij kunstgeschiedenis aan de VU een balletje opgegooid, maar bij gebrek aan geld is het er niet van gekomen. Intussen waagt hij zich aan de voorspelling dat er een stof zal komen die, toegediend aan één specifiek hersengebied, geeuwen én seksuele respons opwekt. Een MRI-scanner zou het idee dat de hersengebieden waar geeuwen en erotiek zetelen gekoppeld zijn, kunnen bekrachtigen. Seuntjens: ``Pek van Andel heeft in de vrije tijd van Groningse MRI-apparatuur de coïtus onderzocht en daar een Ig-Nobelprijs mee gewonnen. Met zo'n low budget-benadering zou ook ik prima uit de voeten kunnen.''