De betere doktersroman

In deel 38 van zijn serie over thema's in de wereldliteratuur schrijft Pieter Steinz over artsen en doctors in het algemeen en Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez in het bijzonder.

Sinds de legendarische Duitser Johannes Faust in ruil voor alwetendheid zijn ziel aan de duivel verkocht, is de figuur van de krankzinnige wetenschapper niet weg te denken uit de literatuurgeschiedenis. De Britse toneelschrijver Christopher Marlowe en de Duitse filosoof-schrijver Johann Wolfgang von Goethe zijn maar twee van de vele auteurs die het in Württemberg gesitueerde verhaal van Faust (ca 1480-1540) bewerkten. En ook aan literaire afsplitsingen van de gruweldoctor is nooit gebrek geweest – of ze nu Frankenstein heten of Jekyll, Moreau of No, Lupardi (in de Kapitein Rob-strip) of Sickbock (in de verhalen van Marten Toonder). Steevast berokkenen ze de wereld – en zichzelf – veel leed door hun nietsontziende toewijding aan de pure wetenschap en het grensverleggende experiment. En alleen slimmeriken van het kaliber van James Bond en Tom Poes kunnen deze mad scientists tegenhouden.

Nog populairder dan de doctor is zijn brave broertje, de dokter. Alleen schrijvers en politiemensen zijn vaker hoofdpersoon van een literair werk. Misschien is dat omdat artsen een sociaal beroep hebben, misschien omdat ze dagelijks voor ethische keuzes komen te staan; misschien komt het gewoon doordat opvallend veel goede schrijvers – Rabelais, Tsjechov, Céline, Boelgakov, Van Eeden, Vestdijk, Belcampo, Brakman – zelf medicijnen hebben gestudeerd. Maar de lijst hieronder had gemakkelijk twee keer zo lang kunnen zijn; en dan heb ik het merendeel van de boeken waarin artsen een belangrijke bijrol spelen niet eens opgenomen. (We zullen er nog een aantal tegenkomen bij het thema `psychiatrische gevallen').

Eén zo'n roman, en zeker niet de minste, is Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez. De hoofdpersonen van deze epische liefdesgeschiedenis, die verscheen in 1986 (vier jaar nadat García Márquez als eerste Colombiaan de Nobelprijs had gewonnen), zijn twee gelieven die na meer dan een halve eeuw herenigd worden: Florentino Ariza en Fermina Daza. Maar het boek begint met de laatste dag van de 81-jarige Dokter Juvenal Urbino, de man met wie Fermina is getrouwd nadat ze op jonge leeftijd in een opwelling Florentino heeft afgewezen. Urbino `was de meest begeerde vrijgezel geweest toen hij achtentwintig was', had medicijnen gestudeerd in Parijs (waar hij een levenslange afkeer van chirurgie en gepatenteerde medicijnen opdeed) en was als huisarts verliefd geworden op zijn patiënte Fermina. Hun huwelijk is over het algemeen een succes geweest, en het kost zijn rivaal-op-afstand Florentino dan ook nogal wat moeite en tijd om na Urbino's dood Fermina te heroveren. Uiteindelijk is er een happy ending, want `ze hadden samen voldoende meegemaakt om te beseffen dat liefde liefde was in welke tijd en op welke plaats dan ook, maar des te interessanter hoe dichter bij de dood'.

Liefde is wel meer volgens de personages van García Márquez: een zondvloed, iets voor de eeuwigheid, een gevoel dat je kunt verdelen over verschillende personen (onder het motto: `Ontrouw, maar niet trouweloos'). En het meest van al is het een ziekte. Liefde in tijden van cholera heet de roman, de titel is spreekwoordelijk geworden (meer nog dan Honderd jaar eenzaamheid of Kroniek van een aangekondigde dood); maar liefde en cholera worden door de schrijver aan elkaar gelijk gesteld. Als Florentino zijn geliefde voor het eerst heeft aangesproken, krijgt hij last van diarree en groen braaksel, plotselinge duizelingen en `de zwakke pols, de zanderige ademhaling en het bleke zweet van stervenden'. De homeopaat die aan zijn ziekbed wordt geroepen stelt vast `dat de symptomen van de liefde dezelfde zijn als die van de cholera', een uitspraak waarop later nog een paar keer gevarieerd wordt. Het einde van de roman is dan ook een fijn staaltje van Caraïbische ironie: als Florentino en Fermina elkaar eindelijk – seksueel – gevonden hebben tijdens een bootreis over de rivier, halen ze de kapitein van het schip over om de choleravlag te hijsen. Zo kunnen ze ongestoord heen en weer blijven varen – `ons leven lang'.

Reacties: steinz@nrc.nl

Gabriel García Marquez: `Liefde in tijden van cholera' (Meulenhoff, vert. Mariolein Sabarte Belacortu).

Volgende week in `Lees mee met NRC': de Eerste Wereldoorlog. Besproken boek: `Im Westen nichts Neues' van Erich Maria Remarque.