Bush of Kerry? Het is lood om oud ijzer

Republikeinen zijn goed voor het bedrijfsleven en Democraten zijn goed voor het volk.

Dit oude onderscheid was waarschijnlijk nooit echt al correct en is zeker niet van toepassing op de Amerikaanse presidentsverkiezingen van komende week. Vanuit economisch gezichtspunt is het behoorlijk lastig een keuze te maken. President Bush heeft veel gedaan om het wantrouwen van het bedrijfsleven te oogsten, maar John Kerry heeft niet veel te bieden om het vertrouwen terug te winnen.

Er zijn vier grote onderwerpen van belang voor de zakenwereld: handel, fiscaal beleid, regulering en wereldpolitiek. Hoe verhouden de kandidaten zich daartoe?

Op handelsgebied is de campagneretoriek protectionistisch. Kerry uit zich in extreme termen over economische verraders die arbeidsplaatsen het land uit smokkelen. Maar hij is (nog) geen president. Bush klinkt iets minder beschermend, maar zijn staat van dienst laat te wensen over. Hij stelde tarieven in voor geïmporteerd staal en schrapte die alleen maar toen de dreiging van vergeldingsmaatregelen te groot werd. En hij heeft zijn steun gegeven aan vliegtuigfabrikant Boeing in de strijd met het Europese Airbus.

Toch lijkt Bush te geloven in vrijhandel – als de Verenigde Staten daar tenminste niet te veel onder lijden. Dat geloof helpt hem aan een voorsprong op Kerry, die een krachtig interventionistisch instinct aan de dag legt. Over het geheel genomen is Bush op handelsgebied dus een graadje beter.

Wat het fiscaal beleid aangaat is Bush' staat van dienst moeilijk anders te zien dan als desastreus. Hij heeft de overheidsuitgaven verhoogd en tegelijkertijd de belastingen verlaagd. Het gevolg is een begrotingstekort van 413 miljard dollar voor dit jaar, terwijl er nog sprake was van een overschot toen hij het Witte Huis betrad. En de president toont geen tekenen van berouw.

Helaas biedt Kerry geen duidelijke verbeteringen. Zijn beloften om de belastingverlagingen van Bush gedeeltelijk ongedaan te maken, worden meer dan gecompenseerd door zijn plannen voor hogere uitgaven. Op dit cruciale punt lijkt de keuze tussen Bush en Kerry lood om oud ijzer. Ten aanzien van de reguleringsproblematiek bedient Bush zich van de Republikeinse retoriek van de 'kleine overheid'. Maar zakenmensen willen deze dagen helemaal geen kleine overheid; zij willen een regering die hun specifieke belangen beschermt.

Kerry klinkt vijandiger ten opzichte van het bedrijfsleven, maar dat moet hij wel doen als hij zijn kiezers tevreden wil houden. Eenmaal in het Witte Huis zou hij zich waarschijnlijk verzoenender opstellen, maar Bush ligt duidelijk vóór als het om het steunen van de belangen van het bedrijfsleven gaat.

Op het terrein van de wereldpolitiek is het lastig te zeggen welke standpunten zakenmensen zouden moeten innemen. De angst voor het terrorisme en de internationale politieke spanningen ondermijnen het vertrouwen. Bush beweert te hebben gedaan wat hij moest doen in de strijd voor veiligheid in de wereld. Kerry zegt dat de strategie van Bush de wereldwijde tegenstellingen onnodig heeft verscherpt. Vanuit zakelijk oogpunt valt hier geen duidelijk oordeel over te vellen.

De keuze van het bedrijfsleven voor oorlog of vrede moet op andere gronden worden bepaald. In Europa lijkt de voorkeur naar Kerry uit te gaan. De Europese zakenmannen, net als de grote meerderheid van hun medeburgers, vinden het beleid van Bush dermate rampzalig dat iedere verandering een verbetering zou zijn.

Alles bij elkaar ontstaat er geen duidelijk beeld. Bush is niet bepaald een echte zuinige conservatief en Kerry biedt geen helder alternatief. Het is een keuze tussen twee kwaden. Dat is waarschijnlijk de reden dat het zakenleven vooral hoopt op een onomstreden uitslag.