Beroep tegen Eric O. `complicerend'

Het hoger beroep tegen de vrijspraak van marinier Eric O. hindert de krijgsmacht in het uitoefenen van haar taken.

Dat zei minister Kamp (Defensie) gisteren bij het verlaten van de wekelijkse ministerraad. Kamp beschouwt het hoger beroep dat het openbaar ministerie (OM) gisteren aantekende als ,,complicerend voor de krijgsmacht'' en ,,moeilijk voor Eric O. en zijn familie''. Volgens Kamp blijft nu ,,de onzekerheid boven de markt hangen'', ook voor de Nederlandse troepen in Irak. Hij zei dat hij O. als volledig inzetbaar beschouwt.

De rechtbank in Arnhem sprak Eric O. eerder deze maand vrij van overtreding van de geweldsinstructie voor Nederlandse militaire op missie tijdens een schietincident in Irak. De marinier had waarschuwingsschoten gelost, waarvan er één een Irakees dodelijk verwondde.

Kamps collega Donner (Justitie) is vooraf door het OM ingelicht over het beroep. Hij maakte gisteren duidelijk dat de motivering van het OM voor hem geen aanleiding was gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, waarmee hij opdracht kan geven een mogelijk strafbaar feit niet te laten vervolgen.

De rechtszaak ligt politiek gevoelig, onder meer vanwege de aanwezigheid van Nederlandse militairen in Irak en vanwege het nadrukkelijke optreden van procureur-generaal De Wijkerslooth kort na het incident. Volgens de rechtbank had de marinier voldoende reden om aan te nemen dat er een `potentieel dreigende situatie' zou kunnen ontstaan. De rechter vond dat de verklaring van de militair als uitgangspunt moet worden genomen, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat die niet klopt.

Het openbaar ministerie tekent beroep aan omdat het vindt dat de rechtbank met dit criterium `te weinig ruimte schept voor een objectieve toetsing' van het handelen van een militair tijdens een schietincident.

Het OM stelt dat het zich rekenschap heeft gegeven van de positie van O., maar vindt dat de situatie niet dreigend genoeg was om de waarschuwingsschoten te rechtvaardigen. `Het belang van een objectieve toetsing van dit geweld' rechtvaardigt `het gebruik van alle rechtsmogelijkheden', aldus het OM gisteren.

Volgens het OM baseert de rechtbank het uitgangspunt dat de schietende militair in beginsel moet worden geloofd op twee uitspraken van de Krijgsraad uit 1949 en 1950, tijdens de Politionele Acties in Indonesië. Het OM vindt die uitspraken niet meer toepasbaar op de moderne praktijk.