Alleenstaande moeders krijgen minder vaak een zoon

Een statistische analyse van meer dan 86.000 geboorten in de Verenigde Staten tussen 1959 en 1998 wijst uit dat aanstaande moeders die samenwonen met een partner een significant grotere kans hebben op een zoon dan alleenstaande moeders. Daarmee is voor het eerst aangetoond dat iemands levensomstandigheden invloed kunnen uitoefenen op het geslacht van de baby, al is nog onduidelijk hoe en waarom dit gebeurt. Volgens de onderzoeker biedt het effect een verklaring voor de gestage afname in het geboortencijfer over de laatste dertig jaar voor jongens in rijke Westerse landen als de Verenigde Staten, Canada en Denemarken (Proceedings of the Royal Society, 21 okt.).

Aan de hand van de resultaten van vijf verschillende bevolkingsonderzoeken ontdekte Karen Norberg van het National Bureau of Economic Research in Cambridge (Massachusetts), dat waar een samenwonend ouderpaar een kans van 51,5 procent heeft op het krijgen van mannelijk nageslacht, diezelfde kans voor een alleenstaande moeder gemiddeld maar 49,9 procent bedraagt. Dat verschil lijkt erg klein, maar was statistisch zeer significant. De uitkomst werd bovendien bevestigd door de analyse van 3000 moeders die zowel mét als zonder een partner een kind hadden gekregen: in aanwezigheid van een vader was de kans op een jongetje bijna 14 procent groter.

Het mechanisme dat aan deze beïnvloeding ten grondslag ligt, is onduidelijk. Op de website van Science sprak Norberg het vermoeden uit dat moeders indirect in staat zijn zaadcellen met een Y-chromosoom te `dwarsbomen', doordat de concentratie van bepaalde hormonen toeneemt wanneer een vrouw voortdurend samen is met een man. Verder blijkt uit andere studies dat de kans op een jongen toeneemt wanneer geslachtsgemeenschap plaatsvindt binnen vijf dagen voor de ovulatie: een stabiele relatie zou meer gelegenheid bieden om van die periode gebruik te maken. Norberg wil haar onderzoek uitbreiden naar andere culturen om te testen of daar een soortgelijk effect aantoonbaar is.