75 jaar en nog springlevend: de krach van 1929

Het is exact 75 jaar geleden dat Wall Street instortte. Kapitalen gingen verloren, mythes werden geboren. De historici van de krach hebben nu een déjà vu. Herhaalt de geschiedenis zich?

Philips kelderde van 53,20 euro in 2000 naar 12,65 euro drie jaar later. KPN stortte in van 69 euro naar 2,24 euro. Zo erg als na de krach van 1929 was het de afgelopen jaren niet, maar voor sommige markten komt de periode 2000-2003 aardig in de buurt van de Grote Krach die deze week 75 jaar geleden plaatsvond. Toch is er een belangrijk verschil. In 1929 daalden de koersen schoksgewijs tientallen procenten terwijl sinds 2000 de koersen lijken op een Chinese watermarteling: een onophoudelijke, gekmakende opeenvolging van kleine druppels. Voeg daarbij de Amerikaanse presidentsverkiezingen over twee handelsdagen, de peperdure olie en de ongewisse richting van de conjunctuur in Amerika – dat maakt onzeker.

Het hoogtepunt van de hausse van 1929 stond de Dow-Jonesindex op 381,17 punten. Drie jaar later bereikte die index een laagtepunt van 41,22 punten op 8 juli 1932, een daling van 89 procent. Dat maakt de Grote Krach van 1929 nog steeds uniek. De Dow-Jonesindex bereikte op 14 januari 2000 een piek van 11.750 punten, om drie jaar later op 12 maart 2003 te sluiten op 7.416 punten. Dat is `maar' 42 procent lager. Om de krach van 1929 te evenaren, had de Dow in 2003 moeten zakken naar zo'n 1.200 punten.

Is het ditmaal dus niet zo erg? De Dow-Jonesindex is niet langer zaligmakend, want deze omvat een kleine minderheid van de beursgenoteerde bedrijven van vandaag. De bredere en de specifiekere marktindices zijn de afgelopen jaren veel sterker gedaald dan de Dow.

Wat de bredere index betreft: de Standard & Poor's composite-index halveerde tussen 2000 en 2003. De Nasdaq-technologiebeurs moest van 5.132 punten in 2000 naar 1.253 punten in 2003. In Amsterdam zat er een daling van bijna 70 procent tussen de piek van boven de 700 punten voor de AEX-index in september 2000, en het dal van 217,8 in maart 2003.

De krach van 1987, lange tijd het enige referentiepunt voor de krach van 1929, verbleekt daarbij. Het enige dat die gebeurtenis gedenkwaardig maakt is de abruptheid van de koersval, niet de diepte.

De krach van 1929 werd gevolgd door de Grote Depressie van de jaren dertig. Maar angst voor herhaling is ongegrond. Er is geleerd van de fouten in het verleden. De centrale banken draaiden in 2001 de geldkraan wijd open om te voorkomen dat beurzen, banken en de rest van de economie in een vrije val zou komen.

De grote vraag die beleggers nu bezighoudt, is hoe lang het gaat duren voor de sluipkrach van 2000 achter de rug is. Na de krach van 1929 duurde het een kwart eeuw voordat de koersen het piekniveau van vóór de krach evenaarden. De snelle daling van de rente die de centrale banken in 2001 en daarna doorvoerden, heeft er toe bijgedragen dat de beursval en het economische dal niet zo diep zijn geweest als de afgelopen jaren werd gevreesd. Het geldinfuus heeft gewerkt, maar kan de patiënt al zonder?

Om het opwaartse potentieel van de beurzen vast te stellen, zouden de aandelenkoersen van dit moment geobjectiveerd moeten worden. Die Steen der Wijzen moet nog gevonden worden, maar er is een aantal waarderingsmaatstaven.

Gemeten naar de gemiddelde koers-winstverhouding, een graadmeter voor de prijs van een aandeel, zijn vooral Amerikaanse aandelen niet goedkoop. Sterker: ze zijn even duur als vlak voor de krach van 1987. Dat geldt ook als de koersen worden vergeleken met het dividend dat wordt betaald. In beide gevallen is Europa een stuk goedkoper. Maar wellicht vinden beleggers dat het groeipotentieel van de Amerikaanse economie structureel hoger is dan dat van Europa.

Worden koers, winst per aandeel en dividend per aandeel vergeleken met de geldende rentevoet, dan is de waardering van aandelen in zowel Amerika als Europa redelijk in lijn met wat de laatste twintig jaar gebruikelijk was. Als de gemiddelde beurswaarde echter wordt vergeleken met de theoretische kosten die zouden moeten worden gemaakt om deze bedrijven vanaf de grond op te bouwen, dan zou volgens vermogensadviseur Smithers & Co de Amerikaanse beurs nog met 47 procent moeten dalen om deze verhouding recht te trekken.

Wie alle waarderingen bij elkaar voegt, kan voorzichtig concluderen dat de markt nog steeds geen koopje is. Eén conclusie is gerechtvaardigd: nog een paar jaar deze beursmalaise en de krach van 2000 is op weg even gedenkwaardig te worden als die van 1929. Het is te hopen dat over 71 jaar niets te gedenken valt.