Wie denkt u wel dat u bent? (Gerectificeerd)

Het is af. Met het verschijnen van de Nieuwe Bijbelvertaling ligt de beste vertaling sinds de Statenvertaling op tafel.

De eerste vraag over de Nieuwe Bijbelvertaling luidt: zó'n omvangrijke operatie, waaraan zóveel mensen hebben gewerkt en waarin met zóveel rekening moet worden gehouden, kan daar iets goeds van komen?

Tien jaar vertalen en tien jaar vergaderen door tientallen coördinatoren en vertaalteams van hebraïsten, graeci én literatuurwetenschappers, meer dan honderd meelezers en supervisoren uit meer dan 20 kerkgenootschappen, een begroting van twaalf miljoen euro. En de grootste pretentie sinds de verschijning van de Statenvertaling in 1637. Want de deze week zo trots gepresenteerde Nieuwe Bijbelvertaling moet `een standaardvertaling voor het gehele Nederlandse taalgebied worden, als geloofsdocument, als wereldliteratuur en als inspiratiebron voor kunst en cultuur'.

Het simpele antwoord op die eerste vraag is: ja. De nieuwe vertaling leest erg goed, zeker in de `literaire editie', dus zonder de storende versnummers (die in de `gewone' editie trouwens ook erg klein gehouden zijn). Op details is veel kritiek mogelijk, maar ook bij nadere vergelijking met de grondteksten en andere vertalingen zijn de gemaakte keuzes bijna altijd te billijken. En dat gebeurt niet heel vaak in de wereld van bijbelvertalingen.

Belangrijk voor een beoordeling van het resultaat is de volstrekt andere opzet, vergeleken bij de Statenvertaling uit 1637. Daarin werd geprobeerd de tekst zo `letterlijk' mogelijk te vertalen. Idealiter is in de Statenvertaling elk Hebreeuws en Grieks woord omgezet in een `gelijkwaardig' Nederlands woord, en mag de grammatica van deze talen best doorklinken in het Nederlands (hoe meer hoe beter zelfs, vinden de echte liefhebbers). Dat dat leidt tot een tekst vol valkuilen en struikeltouwen is niet erg: dat zet de lezer juist aan het nadenken! Voor wie die eis ook nu nog stelt, is de Nieuwe Bijbelvertaling zo goed als waardeloos. De klank van het profetische Hebreeuws (en Grieks) is verloren gegaan in de `omzetting' naar `gewoon' Nederlands.

Want in de Nieuwe Bijbelvertaling is de `betekenis' van de bijbeltekst op een hoger niveau gelegd dan dat van de woorden. De vertaling hoeft niet woord voor woord te kloppen, maar de zin wél, of dan toch zeker de paragraaf, ja zelfs de tekst als totaal is belangrijk. Ongewoon veel moeite is daarom gestoken in de literaire analyse van de teksten: historische verhalen (zoals Exodus en Samuel) worden anders vertaald dan poëzie (Hooglied), brieven (Romeinen) of profetische teksten (Jesaja). In vertalersjargon: deze bijbel moet niet alleen `brontekstgetrouw' zijn maar ook `doeltaalgericht'. Daarin moet altijd gekozen worden. Herhalingen bijvoorbeeld, in het Hebreeuws zo ongeveer de stijlfiguur der stijlfiguren, mogen dan best gevarieerd worden: in de `doeltaal' Nederlands werkt herhaling immers juist averechts.

Door die literaire inspanning is de Nieuwe Bijbelvertaling veel consistenter en `strakker' geworden dan andere recente bijbelvertalingen die óók afstand wilden nemen van het `Nederhebreeuws' van de Statenvertaling. Dat merk je bij het doorlezen van de Nieuwe Bijbelvertaling. Sterker nog: je kunt doorlezen. De 66 hoofdstukken van de onheilsprofeet Jesaja lees je nu bijna voor je plezier, maar het wordt niet oppervlakkig. Er is niet wégvertaald: de drive van de profeet domineert ook in het Nederlands, duisterheid in het Hebreeuws blijft duister in het Nederlands. `Schept een bijl op tegen wie ermee hakt? Verheft een zaag zich boven wie hem hanteert? Alsof de scepter heerst over wie hem vastheeft, alsof de stok optilt wie hem omhooghoudt! Daarom laat God, de HEER van de hemelse machten, zijn weldoorvoede volk vermageren, hij verteert hun welvaart als door een groot vuur' (Jes. 10:15-16, in de Nieuwe Bijbelvertaling).

Tot welke mooie passages en vondsten leidt die literaire benadering? Hier is bijvoorbeeld Elifaz uit Teman, die zijn vriend Job wil overtuigen van de almacht van God: `Ik heb gezien: wie onrecht ploegt, wie rampspoed zaait, zal het ook oogsten. Eén ademstoot van God, en ze komen om, één vlaag van zijn woede vaagt ze weg. De leeuw brult, de welp gromt, maar hun tanden worden uitgeslagen. De leeuw gaat zonder prooi te gronde, de jonge leeuwen zwerven hongerend rond. Een verholen stem drong tot mij door, mijn oor ving een fluisteren op, in de verontrustende visioenen van de nacht, die de mensen dompelt in een diepe slaap [...] ' (Job 4:8-13).

Deze prachtige tekst is onmiddellijk óók een mooi voorbeeld van de problemen bij bijbelvertaling. Want puristen kunnen er hier terecht op wijzen dat bij die jonge leeuwen `hongerend' door de vertalers is toegevoegd: dat staat er niet in het Hebreeuws. Ongetwijfeld is het hier toegevoegd om de vaart in de tirade te houden, en in mijn ogen is daar weinig op tegen vooral omdat `hongeren' helemaal past in het beeld van de machteloos rondzwervende leeuwenwelpen. Bij vertaling van elke andere tekst zou zo'n toevoeging niet eens opvallen, maar bij omzetting van Gods Woord is zoiets toch al gauw een pijnpuntje zelfs bij ongelovigen of afvalligen (zoals blijkt uit de aanstekelijke woede van Maarten 't Hart over niet-letterlijke bijbelvertalingen).

Ook die veelgeprezen `letterlijkheid' van de Statenvertaling is trouwens maar relatief, zoals elke vertaler beseft. Want al lijkt een woord `hetzelfde' te betekenen in het Hebreeuws en Nederlands (er stáát toch gewoon `leeuw'?), dan nog kunnen de connotaties van zo'n woord binnen de joodse en Nederlandse cultuur en religieuze tradities heel anders liggen. Alleen wie echt goed thuis is in de bijbel leert die connotaties kennen. Soms neemt ook de Statenvertaling een grote vrijheid: neem bijvoorbeeld het bevel van de Egyptische farao aan de Hebreeuwse vroedvrouwen (Exodus 1:16), daar staat toch echt letterlijk: `kijk naar de twee stenen'. Maar in de Statenvertaling werd een soort baarkruk van die stenen gemaakt: `ziet haar op de stoelen'. En dan nog zijn er al die kleine maar met betekenis geladen woordjes als `maar', `en', `hoewel', `omdat', `toch'. Die staan nooit allemaal precies zo in het Hebreeuws (of het Grieks). Voor iedere omzetting geldt uiteindelijk: `vertalen is verraden'. De ware liefhebber leest de Hebreeuwse en Griekse grondtekst en dat doen dan ook veel dominees.

Soms lijkt de nieuwe vertaling juist dichter bij het oorspronkelijke Hebreeuws te blijven. Interessant is het begin van het Hooglied. Daar vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling: `Meisjes van Jeruzalem, donker ben ik, en mooi, als de tenten van Kedar, als het doek van Salomo's tenten' (Hooglied 1:5). Bijna alle andere vertalingen maken hier in plaats van een verband (donker `en' mooi) een tegenstelling, ook de Statenvertaling: `Ik ben zwart, doch liefelijk'. En de moderne vertaling van de Groot Nieuws Bijbel bevestigt: `al is mijn huid donker, toch ben ik mooi'. Maar het lijkt erop dat die tegenstelling in het Hebreeuws helemaal niet nadrukkelijk wordt gemaakt: in het computerprogramma Online Bijbel is dat Hebreeuws ook voor niet-Hebraïsten als deze bespreker min of meer terug te zoeken. Alleen de vooraanstaande Amerikaanse New Revised Standard Version (1989) geeft dezelfde vertaling als de Nieuwe Bijbelvertaling: `I am black and beautiful'.

Het Hooglied is trouwens in zijn geheel schitterend vertaald, en terecht door het Bijbelgenootschap al eerder als apart boekje uitgegeven (Mijn lief, met illustraties van Lika Tov).

Lees ook de meeslepende ruzie van Jezus met de joden in Johannes (8:48-59), in een lang citaat omdat de kracht van de Nieuwe Bijbelvertaling hier goed naar voren komt:

`De Joden riepen: ,,Zeggen we soms ten onrechte dat u een Samaritaan bent, en dat u bezeten bent?' ,,Ik ben niet bezeten', zei Jezus. ,,Ik eer mijn Vader, maar u eert mij niet. Ik ben niet uit op eigen eer; iemand anders is uit op mijn eer en hij zal oordelen. Waarachtig, ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien.' Toen zeiden de Joden: ,,Nu weten we zeker dat u bezeten bent! Abraham is gestorven, en de profeten ook, en u zegt: `Wie mijn woord bewaart zal de dood nooit proeven'! Bent u soms meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven. Wie denkt u wel dat u bent?' Jezus antwoordde: ,,Wanneer ik mezelf zou eren, zou mijn eer niets betekenen, maar het is de Vader die mij eert, de Vader van wie u zegt dat hij onze God is, hoewel u hem niet kent. Ik ken hem. Als ik zou zeggen dat ik hem niet ken, zou ik een leugenaar zijn, net als u. Maar ik ken hem wel, en ik bewaar zijn woord. Abraham, uw vader, verheugde zich op mijn komst, en toen hij die meemaakte was hij blij.' De Joden zeiden: ,,U bent nog geen vijftig en u zou Abraham gezien hebben?' ,,Waarachtig, ik verzeker u', antwoordde Jezus, ,,van voordat Abraham er was, ben ik er.' Toen raapten ze stenen op om naar hem te gooien. Maar Jezus wist onopgemerkt uit de tempel te ontkomen.'

Ook uit deze passage blijkt weer: als `leesbare en toch betrouwbare' vetaling verslaat de Nieuwe Bijbelvertaling alle Nederlandse concurrenten. Want de Groot Nieuws Bijbel `in de omgangstaal' (1983, herzien in 1996) is wel lekker leesbaar, maar veel te vrij. Zomaar een voorbeeld: het begin van psalm 130, het zo vaak op muziek gezette `De profundis clamavi', wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald als: `Uit de diepte roep ik tot u, HEER' (vrijwel identiek aan de Statenvertaling). Maar de Groot Nieuws Bijbel vindt dat kennelijk te ingewikkeld en schrijft: `Heer, ik zie geen uitweg, ik roep u te hulp' inhoudelijk niet gek getroffen, maar taalkundig een bulldozerversie. Dat de Groot Nieuws Bijbel niettemin in veel kerken op de kansel ligt, geeft aan hoe sterk de behoefte aan een leesbare vertaling is. Want de protestantse `standaardvertaling', de `NBG' uit 1951, is een onevenwichtige herziening van de Statenvertaling.

De katholieke Willibrordvertaling (1978, herzien in 1995) is de belangrijkste concurrent van de Nieuwe Bijbelvertaling. Maar ze mist de spankracht van de Nieuwe Bijbelvertaling, en de vertaling is onevenwichtiger. Soms staat ze te dicht bij de grondtekst, op andere plekken is ze verbijsterend vrij. Zoals in het beroemde verhoor van Jezus door Pilatus (in Joh. 18:37). `U bent dus toch koning?' vraagt Pilatus daar. `Ja', zei Jezus, `Ik ben koning' in de Willibrordvertaling. Maar in het Grieks staat hier alleen `u zegt dat ik koning ben'. Zelfs de bijbelparafrase Het Boek (uit 1988) deinst hier terug voor zo'n rauwe explicitering.

Zo is de Nieuwe Bijbelvertaling nu de beste Nederlandse bijbelvertaling sinds de Statenvertaling. De Nieuwe Bijbelvertaling is echter geen vervanging van de Statenvertaling, omdat de principes die zijn gehanteerd bij de vertaling zo verschillend zijn. Wie in de Nieuwe Bijbelvertaling echt historisch, taalkundig of theologisch studeert op een tekst, pakt er allicht óók een meer `letterlijke' vertaling bij. En juist op dat front, als klassieke `letterlijke' vertaling, heeft de Statenvertaling sinds kort een interessante en gevaarlijke concurrent. Vrijwel gelijktijdig met de Nieuwe Bijbelvertaling is namelijk de Naardense Bijbel verschenen, een nieuwe `Nederhebreeuwse' vertaling. De Utrechtse hervormde dominee Pieter Oussoren heeft er dertig jaar aan gewerkt, aanvankelijk uitsluitend voor eigen gebruik, onder het motto `zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst blijven'. Het resultaat is dus voornamelijk eenmanswerk, maar Oussoren werd geholpen door gelijkgestemde vrienden in allerlei vertaalkringen.

Omwille van de leesbaarheid maar ongetwijfeld ook om de tekst heiliger te maken is deze Naardense Bijbel (geïllustreerd met schilderingen uit de kerk in Naarden) geheel als gedicht opgemaakt. Bijvoorbeeld de schepping van Adam, de eerste mens (Gen 2:7), vertaalt Oussoren aldus:

Dan formeert de ENE, God,

de roodbloedige mens

van stof uit de bloedrode grond

en blaast in zijn neusgaten

ademhaling van leven;

zo wordt de roodbloedige mens

tot lijf-en-ziel

in leven.

Hetzelfde vers luidt in de Statenvertaling: `En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.' De Nieuwe Bijbelvertaling geeft: `Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.'

Wie geen Hebreeuws leest, heeft met Oussoren een soort overtreffende trap van de Statenvertaling te pakken. In de eerdergenoemde baarkrukpassage in Exodus 1:16 heeft Oussoren dan ook gewoon de twee stenen opgenomen. De Naardense Bijbel is des te aantrekkelijker omdat Oussoren wel dicht op het Hebreeuws zit, maar vermijdt om al te archaïsche woorden te gebruiken (al zijn schapen natuurlijk altijd `wolvee' en schuwt Oussoren ook de `heirscharen' niet).

Laat dus die Nieuwe Bijbelvertaling maar de nieuwe standaardbijbel worden, met daarnaast op tafel de Statenvertaling of de Naardense Bijbel en aan de andere kant misschien nog de Willibrord of de Groot Nieuws Bijbel, als teken dat er niet één perfecte vertaling bestaat.

Dan nu de kritiek. Zelfs een `standaardvertaling' is natuurlijk nooit zonder vreemde passages of curieuze keuzen. Waarom is in de Nieuwe Bijbelvertaling de onvertaalbare eigennaam van het zeemonster Leviathan bijvoorbeeld vier keer gehandhaafd, maar is het één keer opeens vertaald als `krokodil' (Job 41:1): `Kun jij met een haak de krokodil op de kant trekken en zijn tong met een touw beteugelen?' Vrijwel álle vertalingen kiezen hier voor `krokodil', behalve de stoïcijnse Statenvertaling en de Naardense Bijbel. Waar komt toch die krokodil vandaan? Terwijl de Nieuwe Bijbelvertaling biologisch meestal heel zorgvuldig is. `Hysop' bijvoorbeeld is er veranderd in het correcte, botanisch verwante `majoraan'. Hysop heeft te korte stengels om een spons op te prikken en die aan een gekruisigde te reiken (zoals in Joh. 19:29), majoraan is wél lang genoeg (hoewel wat slappig) nooit meer zal de Italiaanse keuken hetzelfde zijn.

En dan is er het duo `Ach!' en `Och!'. Twaalf keer komt in het Oude Testament het smekende Hebreeuwse tussenwerpsel `biy' voor, dat de Statenvertaling altijd vertaalt met `och'. De Nieuwe Bijbelvertaling zet het om in beleefde frases als `neemt u mij niet kwalijk', `als ik u iets mag vragen', `staat u mij toe' of zelfs `ik smeek je'. Behalve in Josia 7:8. Daar staat ineens `Ach Heer, wat kan ik anders zeggen nu Israël voor zijn vijanden op de vlucht geslagen is?' Waarom hier geen `neemt u mij niet kwalijk'? Vanwege dat `wat kan ik anders zeggen' waardoor het anders wel érg beleefd zal worden?

En waarom worden in de Nieuwe Bijbelvertaling andere tussenwerpsels, zoals de Hebreeuwse pijnkreet `ahahh' wél onbekommerd vertaald met losse tussenwerpsels als `ach', `nee', `o', of `wat nu'. 'Och' daarentegen lijkt taboe, één keer slechts klinkt het in de Nieuwe Bijbelvertaling, in de verzuchting van de Hittiet Efron, als die Abraham een stuk grond verkoopt om zijn vrouw in te begraven: `Och luister, heer, een stuk grond van vierhonderd sjekel zilver, wat betekent dat nu voor mij of voor u? U kunt er gerust uw vrouw begraven' (Gen. 23:15).

Een serieuzere kwestie is het lot van Jezus' onderkleed. Want daarmee lijkt de Nieuwe Bijbelvertaling de evangelist Johannes gewoon voor gek te zetten. Want Johannes 19:23-24 vermeldt: `Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. Ze zeiden tegen elkaar: `Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.' Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: `Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn mantel.'

De soldaten verdelen het onderkleed, terwijl het volgens deze vertaling in de profetie om de mantel gaat! Maar die is juist verscheurd, niet verdobbeld. Net verkeerd dus, denkt de lezer dan. In het Grieks bestaat die verwarring niet, want het Griekse `himatismos' in het psalmcitaat van Johannes heeft bovenal een algemene betekenis: `kleding' of zelfs `garderobe'. En die paar keer dat het elders in het Nieuwe Testament voorkomt, vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling dit woord ook onbekommerd met `kleding'. De verdobbelde mantel bij Johannes is een raadsel.

Zonder slag of stoot zal de Nieuwe Bijbelvertaling niet aanvaard worden als `standaardvertaling'. Sommige critici zullen ongetwijfeld, om traditionele of theologische redenen, de voorkeur blijven geven aan een `letterlijke' vertaling. Anderen hebben meer literaire bezwaren, zoals dominee Nico ter Linden, die de bijbel hertaalde in zijn reeks Het verhaal gaat... Ter Linden verwijt de Nieuwe Bijbelvertaling `burgermansproza' te bieden. Weer anderen treuren vooral om het verlies van vertrouwde uitdrukkingen. Want de kribbe heet nu gewoon voederbak.

Misschien hebben deze laatste `nostalgici' toch een punt. Want ondanks alle lof: de breuk met het verleden is inderdaad erg groot. Achter die bruuske overgang ligt het historische feit dat een geleidelijker aanpassing van de zeventiende-eeuwse Statenvertaling altijd is mislukt. De status en verering van de Statenvertaling was te groot. In het Engelse taalgebied is dat wél gelukt. Daar is de King James Bible (uit 1611) in de negentiende eeuw herzien tot Standard Version. En zelfs na de laatste herziening (1989) begint in de veel geprezen New Revised Standard Version het boek Prediker nog altijd met het vertrouwde `Vanity of vanities'. Maar de Nieuwe Bijbelvertaling heeft `IJdelheid der ijdelheden' koudweg vervangen door `Lucht en leegte'.

Misschien kan zo'n geleidelijke traditie hier alsnog ontstaan: dan moet er over enkele decennia een `Herziene' Nieuwe Bijbelvertaling' verschijnen. En over honderd jaar de `Opnieuw Herziene Nieuwe Bijbelvertaling'.