Vooral geen schandaal

De erfgenamen van de schilder Kazimir Malevitsj probeerden dertig jaar geleden al de Malevitsj-collectie uit het Stedelijk Museum op te eisen. Wie zijn zij, en hoe staat hun zaak er nu voor?

Alexander N. Rylov ontvangt me in een paleiselijk vertrek van de Russische ambassade in Den Haag. Rylov, die vloeiend Nederlands spreekt, is ambassaderaad. Vroeger, van 1975 tot 1988, was hij ook al in Den Haag gestationeerd. Toen was hij chef van de consulaire afdeling van de ambassade van de Sovjet-Unie. Hij herinnert zich nog goed hoe hij in die functie te maken kreeg met de Malevitsj-collectie in het Amsterdamse Stedelijk Museum.

Rylov: ,,Het speelde tussen 1975 en 1979. Een familielid van Malevitsj had zich in Moskou tot het ministerie van Cultuur gewend met het verzoek of het ministerie namens de familie wilde proberen de kunstwerken terug te krijgen. Via onze ambassade vroeg het ministerie van Cultuur van de Sovjet-Unie toen aan de Nederlandse overheid hoe het Stedelijk Museum in het bezit was gekomen van de Malevitsj-collectie. Ik weet niet meer welk ministerie in Nederland die vraag beantwoordde, Buitenlandse Zaken of Cultuur, maar ik weet nog wel wat het antwoord inhield: in 1958 had de gemeente Amsterdam de kunstwerken voor het Stedelijk Museum volkomen legaal aangekocht bij een man in Duitsland die na de dood van Malevitsj eigenaar was geworden. Dit antwoord hebben wij toen per diplomatieke post doorgestuurd naar het ministerie in Moskou. Het ministerie heeft vervolgens de familie ingelicht. Omdat de aankoop van de collectie juridisch kennelijk in orde was geweest, wilde de regering van de Sovjet-Unie de kwestie niet op de agenda zetten als een bilateraal probleem. Ook werd de familie te kennen gegeven dat de sovjetregering geen mogelijkheid zag nog iets aan deze zaak te doen. Het was verder een probleem van de erfgenamen.''

Edy de Wilde, van 1962 tot 1984 directeur van het Stedelijk Museum, zegt desgevraagd dat hij indertijd wel gehoord heeft dat er via de sovjetambassade inlichtingen werden ingewonnen over de herkomst van de Malevitsj-collectie. ,,Maar dat liep via Den Haag en het Stedelijk Museum heeft zich er niet mee bemoeid.'' Hij vertelt dat hij er niet van op de hoogte was dat die inlichtingen werden gevraagd ten behoeve van de erfgenamen in de Sovjet-Unie: ,,Nee, dat heb ik nooit geweten.''

De erfgenamen van de Russische avant-garde-schilder Kazimir Malevitsj (1879-1935). Wie zijn zij? Wanneer kwamen zij voor het eerst in actie tegen het Stedelijk Museum en hoe staat hun zaak er nu voor?

Toen Malevitsj op 15 mei 1935 stierf, ging de Sovjet-Unie gebukt onder zware stalinistische terreur. Het socialistisch-realisme was in 1934 tot staatskunst verheven. De suprematistische schilderijen waarmee Malevitsj omstreeks 1917, in de tijd van de Russische Revolutie, zoveel furore had gemaakt, waren allang uit de gratie. Eind jaren twintig was hij uit al zijn artistieke functies gezet. Na zijn bezoek aan Berlijn in 1927 kreeg hij geen toestemming meer om naar het buitenland te reizen en vanaf 1932 kon hij nergens meer exposeren.

De foto's van zijn sterfbed tonen hoe Malevitsj daar als een heilige lag opgebaard, met boven zijn hoofd het ondoorgrondelijke Zwarte Vierkant dat hij in 1915 geschilderd had en naast zijn doodsbed de door hemzelf ontworpen kist waarop eveneens een zwart vierkant prijkte. Als de foto's van die excentrieke, tot in de puntjes geregisseerde dood iets verhullen, dan is het de armoede waarin Malevitsj stierf.

Museumzolder

Zoals blijkt uit de akte die de notaris in Leningrad na zijn dood opmaakte, liet hij behalve wat meubels en een piano alleen de kunstwerken na die nog in zijn atelier stonden. Volgens de notaris waren die werken, zo'n honderd schilderijen en tekeningen uit verschillende periodes van zijn leven, nauwelijks iets waard. De bezittingen werden verdeeld onder zes familieleden. Dat waren zijn moeder Ljoedviga Malevitsj, zijn derde vrouw Natalja, zijn dochters Galina en Oena uit zijn eerste en tweede huwelijk en de kinderen van Galina, Ninel en Igor.

In 1936 liet Malevitsj' weduwe Natalja zijn schilderijen en tekeningen opbergen op de zolder van het Staats Russisch Museum in Leningrad waar ze decennialang verstopt zouden blijven. `Malevitsj' was een naam die je beter kon verzwijgen in de Sovjet-Unie – hij was immers een `formalistische bourgeois-schilder' geweest – en de zes familieleden hielden hun verwantschap met hem dan ook angstvallig geheim. In 1942 stierf Malevitsj' moeder Ljoedviga, een jaar later kwam Igor – de zoon van zijn dochter Galina – als Russisch soldaat om het leven aan het front. Toen ook Galina in 1973 was overleden, waren er nog maar drie van de oorspronkelijke zes erfgenamen over: de weduwe Natalja, de dochter Oena en de kleindochter Ninel. Van hen zouden alleen Oena en Ninel zich inspannen om de kunstwerken van Malevitsj, die in diverse musea terecht waren gekomen, weer in handen van de familie te krijgen. Malevitsj' weduwe Natalja, die in 1990 stierf, heeft nooit meegedaan aan hun pogingen. Volgens de familie was ze sinds de executies van haar vader en haar broer in 1937 bang voor elk contact met de sovjetautoriteiten.

Oena Oeriman en Ninel Bykova (ze waren inmiddels getrouwd en hadden kinderen) durfden in 1973 voor het eerst in actie te komen, zoals Ninel later vertelde. Aan de directeur van het Russisch Museum, Vassili Poesjkarov, vroegen ze of ze in de opslag de kunstwerken van Malevitsj mochten zien. Kort daarop betraden ze de museumzolder. Behalve de suprematistische schilderijen van Malevitsj, met hun vrolijke kleurvlakken tegen een lichte achtergrond, zagen ze daar ook portretten van familieleden die ze vroeger nog hadden gekend.

Poesjkarov, die wist dat het werk van Malevitsj in het westen inmiddels veel waard was, bleek de collectie voor het museum te willen behouden. Maar hij bood zo'n laag bedrag dat Oena en Ninel niet op zijn voorstellen ingingen. De onderhandelingen stokten. Maar in 1976 begon het ministerie van Cultuur van de Sovjet-Unie zich met de zaak te bemoeien. De erfgenamen werden gedwongen tot het sluiten van een deal. Er werd hun een ultimatum gesteld: ofwel ze gingen akkoord of de hele collectie zou aan het Russisch Museum worden toegewezen. Volgens Ninel moesten ze een contract ondertekenen dat ze niet mochten lezen en werden zij, Oena en Natalja, in 1977 elk met zevenduizend roebel afgescheept.

Ninel Bykova heeft in verschillende interviews gememoreerd hoe haar grootvader zich op zijn sterfbed nog zorgen maakte over het lot van de tientallen schilderijen die hij in 1927 had achtergelaten in Berlijn. Hij was bang dat ze verbrand waren en tegen zijn dochter Galina bleef hij maar herhalen dat zij ze moest opsporen en haar best moest doen om ze weer te verenigen met zijn andere werk. Steeds weer kwam hij er op terug en zelfs in zijn laatste uren ijlde hij nog over die verloren kunstwerken.

Aan het Amerikaanse kunstblad ARTnews zei Ninel in 1999 dat haar moeder Galina altijd gekweld werd door de gedachte dat ze de laatste wens van haar vader niet had kunnen uitvoeren en dat ze er zelfs niet in geslaagd was uit te vinden waar de Berlijnse collectie was gebleven. Daarom schreef Galina in 1970, drie jaar voor haar dood, een brief aan directeur Poesjkarov van het Russisch Museum waarin ze vroeg hoe ze er achter kon komen waar die schilderijen nu waren. Op die brief kreeg ze geen antwoord. Enkele jaren later, tijdens de onderhandelingen over de schilderijen in het Russisch Museum, vernamen Oena en Ninel dat de kunstwerken uit Berlijn voor een groot deel beland waren in Amsterdam.

Hier komt het relaas van Alexander Rylov van de Russische ambassade samen met dat van Ninel Bykova. In 1976 vroeg zij het sovjetministerie van Cultuur om haar en Oena te helpen de werken uit het Stedelijk terug te krijgen. Het ministerie vroeg inlichtingen bij de Nederlandse overheid en daar bleef het bij. Het probleem was dat Ninel en Oena buiten de sovjetautoriteiten om zelf niets konden uitrichten. Volgens Ninel werden ze na 1976 jarenlang van de ene officiële instantie naar de andere gestuurd en raakten ze steeds weer verstrikt in een zinloze strijd met de Russische bureaucratie.

In Nederland drong van hun acties nauwelijks iets door, maar ze gingen toch ook niet helemaal aan het Stedelijk Museum voorbij. Volgens oud-conservator Joop Joosten waren er omstreeks 1984 `geruchten' dat de erfgenamen van Malevitsj de werken zouden terugvragen: ,,Men begon wakker te worden in de Sovjet-Unie.'' Maar er gebeurde niets. Edy de Wilde herinnert zich eveneens dat er ook na de jaren zeventig nog wel vragen kwamen uit de Sovjet-Unie over de Malevitsj-collectie in het Stedelijk. Maar, zegt hij, het was altijd een beetje wazig wat dat te beduiden had.

Pas eind jaren tachtig, toen contacten met het westen makkelijker werden voor inwoners van de Sovjet-Unie, kreeg het museum voor het eerst rechtstreeks te maken met een van die geheimzinnige Russische erfgenamen. Malevitsj' dochter Oena Oeriman schreef op 30 mei 1988 in een brief aan de toenmalige Stedelijk-directeur Wim Beeren: ,,Ik zou erg graag de schilderijen van mijn vader zien die in uw museum hangen.'' Ze verzocht hem `dringend' haar daarvoor een uitnodiging te sturen. Beeren was toen net bezig met de voorbereidingen van de Malevitsj-tentoonstelling die in november 1988 in het Russisch Museum in Leningrad zou openen en die daarna zou doorreizen naar Moskou en Amsterdam. Die eerste gezamenlijke Russisch-Nederlandse Malevitsj-expositie mocht niet bedorven worden door een claim van de erfgenamen. Beeren vertelde mij later, in 1999, dat hij Oena's brief had voorgelegd aan de sovjetautoriteiten en dat hij na overleg besloten had om er niet op te reageren.

Geconfronteerd met dit verhaal zegt Alexander Rylov dat hij het advies van de sovjetregering aan Wim Beeren wel begrijpt: ,,Stelt u zich voor dat Oena Oeriman hier in Nederland een schandaal had gemaakt en geroepen had dat al die Malevitsj-kunst in het Stedelijk van haar was. Dat was niet best geweest voor de buitenlandse betrekkingen van de Sovjet-Unie.''

Koenigs-collectie

Oena heeft nooit meer de gelegenheid gekregen naar Amsterdam te reizen, ze stierf op 5 maart 1989. Toen in 1990 ook Malevitsj' weduwe Natalja was overleden, was van de zes oorspronkelijke erfgenamen alleen Ninel Bykova nog in leven. Zij woonde bij een van haar kinderen, haar zoon Jevgeni Bykov, in het Volga-stadje Oeljanovsk. In de zomer van 1989, enkele maanden na de dood van Oena, schreef Ninel een desperate brief aan Raisa Gorbatsjova, de vrouw van de Russische president, waarin ze haar smeekte om hulp bij het terughalen naar Rusland van de Amsterdamse Malevitsj-collectie.

Of Raisa achter de schermen geholpen heeft, is niet duidelijk, maar begin 1990 sloten Ninel Bykova, haar kinderen en andere aanverwanten een overeenkomst met het ministerie van Cultuur in Moskou, dat nu in deze kwestie zou gaan bemiddelen. Een jaar later, in maart 1991, maakte dit ministerie bekend dat de Sovjet-Unie een deel van de Malevitsj-collectie uit Amsterdam opeiste omdat die op onrechtmatige wijze in het Stedelijk Museum was gekomen. Het ministerie legde een link met de Koenigs-collectie die Nederland in de oorlog was kwijtgeraakt en die in 1945 door de Russische troepen was meegenomen naar Moskou. Nederland wilde die collectie terughebben. Moskou was bereid te onderhandelen, maar dan zou daarbij ook de Malevitsj-collectie betrokken moeten worden.

Het Moskouse ministerie kon met deze manoeuvre twee vliegen in één klap slaan: een gunstige uitgangspositie creëren voor de gesprekken over de Koenigs-collectie en tegelijk de erfgenamen van Malevitsj de indruk geven dat er nu echt iets aan hun zaak werd gedaan. In werkelijkheid was het hele idee niet meer dan een losse flodder die het beleid nooit heeft beïnvloed. Dat geeft ook Alexander Rylov toe: ,,Binnen het sovjetministerie van Cultuur is wel even overwogen die twee zaken te koppelen, maar het kon eenvoudig niet. De Koenigs-kwestie is een staatsaangelegenheid, de Malevitsj-kwestie is dat niet. Dat is uiteindelijk toch een particuliere zaak van de erfgenamen.''

Die erfgenamen merkten al gauw dat er via het ministerie van Cultuur niets te bereiken viel en de overeenkomst werd dan ook ontbonden.

In 1992 kwamen de acties van de erfgenamen in een stroomversnelling. Ze werden nu gesteund door de vroegere directeur van het Russisch Museum, Vassili Poesjkarov, die spijt had gekregen van de manier waarop hij ze in de jaren zeventig had behandeld. Maar belangrijker was dat Ninel Bykova in contact kwam met de Duitse `kunstrechercheur' Clemens Toussaint. Na zijn studie kunstgeschiedenis had Toussaint zich gespecialiseerd in het opsporen en terugbezorgen van geroofde of zoekgeraakte kunstwerken. Ninel Bykova, de kinderen van Malevitsj' dochter Oena en andere familieleden besloten hun zaak aan hem over te dragen. Onder welke voorwaarden, is niet bekend. Toussaint ontvangt, zoals hij het zelf omschreef, `een redelijk aandeel' van wat zijn klanten door zijn inspanningen terugkrijgen.

In de kwestie-Malevitsj zorgde Toussaint in 1992 eerst dat alle rechthebbende erfgenamen het eens waren over een gemeenschappelijke aanpak. Er waren toen in totaal negentien erfgenamen, maar inmiddels is dat aantal door vererving en aanwas opgelopen tot 35. Toussaint zette vervolgens een groep advocaten aan het werk. In 1994 werden zowel het Stedelijk Museum als het New Yorkse Museum of Modern Art (MoMA) en het Busch-Reisinger Museum in Boston door hen uitgenodigd voor een gesprek over de schilderijen en tekeningen van Malevitsj die na de Berlijnse expositie van 1927 in hun bezit waren gekomen. Volgens de erfgenamen waren die werken aan deze musea uitgeleend of verkocht door mensen die niet het recht hadden om erover te beschikken. De twee Amerikaanse musea troffen in 1999 een schikking met de erven, waarbij schilderijen werden teruggegeven en – door het MoMA – ook een bedrag van vijf miljoen dollar werd betaald.

De onderhandelingen met Amsterdam en het Stedelijk Museum liepen spaak. De erfgenamen begonnen daarom begin dit jaar, op 9 januari, in Washington een rechtszaak tegen de gemeente Amsterdam. Ze eisen veertien schilderijen van Malevitsj op die het Stedelijk in januari had uitgeleend voor een expositie in de Verenigde Staten. De waarde van die schilderijen wordt geschat op honderdvijftig miljoen dollar. Naar verwachting zal de federale rechtbank in Washington nog dit najaar beslissen of de zaak voor behandeling in aanmerking komt.

Inmiddels betwisten de erfgenamen het Stedelijk Museum nu al bijna dertig jaar het eigendom van de werken van Kazimir Malevitsj. Ninel Bykova, de laatste die nog herinneringen aan hem bewaarde, stierf op 28 april 2000. Haar kinderen en kleinkinderen, de kinderen van Oena en andere aanverwanten wonen in Rusland, Oekraïne, Polen, Toerkmenistan, de Verenigde Staten, Engeland en Canada. Zolang de zaak onder de rechter is, staan ze niemand te woord. Ze hebben de rijen gesloten en lijken niet van plan hun aanspraken op de Malevitsj-collectie in het Stedelijk op te geven.