Vluchten hoeft niet meer

Nederlanders zijn bang. Dat bleek deze week uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Uit eerdere studies bleek al dat er grote morele verontrusting bestaat over het verval van normen en waarden. Maar is die angst terecht? Nuchter bezien kun je alleen zeggen dat normen en waarden veranderen.

De moraal in Nederland is in verval; dat vinden niet alleen vele publicisten en politici, maar ook, als we de uitkomsten van enquêtes mogen geloven, een groeiende meerderheid, inmiddels zeventig procent, van de hele bevolking. Vanwaar die wijdverbreide en recentelijk zo toegenomen morele verontrusting? Het meest voor de hand liggende antwoord is: omdat daar feitelijk alle reden toe is. Zie de toename van misdaad en onveiligheid, de verloedering van buurten, het wangedrag in voetbalstations, de chaos en het geweld op scholen, de onbeschoftheid in het sociale verkeer, de corruptie bij ambtenaren, de ongebreidelde zelfverrijking in het bedrijfsleven. Logisch dat mensen zich zorgen maken over morele achteruitgang.

Maar zo logisch is dat niet. In de eerste plaats is geenszins bewezen dat het in al die opzichten almaar erger is geworden. Zelfs voor het soort gedragingen waarover grote hoeveelheden cijfers beschikbaar zijn, de criminaliteit, is dat niet eenvoudig uit te maken. Ten tweede hoeven de betreurde ontwikkelingen niet allemaal voort te komen uit de verzwakking van normen en de daling van moreel besef. Als bijvoorbeeld de aantallen winkeldiefstallen toenemen, kan dat simpelweg een gevolg zijn van het feit dat winkels daar meer gelegenheid toe geven. En tenslotte loopt de toename van bezorgdheid niet altijd parallel met een daadwerkelijke verslechtering.

Zo is de criminaliteit volgens diverse gegevens na 1985 niet spectaculair toegenomen (de grote stijging vond in de twintig jaar daarvoor plaats), terwijl de verontrusting erover juist sindsdien grote hoogten bereikte. En zo was er in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog hevige bezorgdheid over het verval der zeden, terwijl dat achteraf erg bleek mee te vallen – die jaren waren de opmaat van een decennium dat volgens het nu gangbare beeld juist uitblonk in gezagsgetrouwheid, gemeenschapszin en vanzelfsprekend fatsoen. De morele paniek van toen hield verband met onzekerheden over de gevolgen van de oorlog (gevreesde ontwrichting en ontreddering, verlies van Indië, dreiging van een nieuwe oorlog). Nu worden de angsten over wat er in de maatschappij aan de hand is, gevoed door de poreusheid van de nationale grenzen, de groei van de aantallen vreemdelingen en de dreiging van het ongrijpbare internationale terrorisme. Zoals het recente Sociaal en Cultureel Rapport laat zien, hoeven deze angsten niet op persoonlijke ervaringen te berusten en kunnen ze heel goed samengaan met tevredenheid over het eigen leven.

Een van de vertolkers van de nieuwe morele verontrusting is de cultuurfilosoof en socioloog Gabriël van den Brink. Van de meeste hedendaagse moralisten onderscheidt hij zich gunstig omdat hij zich serieus afvraagt wat er aan de hand is. Zijn Schets van een beschavingsoffensief – een rapport dat als nevenproduct is verschenen bij het veelbesproken WRR-rapport Waarden, normen en de last van het gedrag – begint met de vraag óf er de afgelopen decennia in Nederland wel normvervaging en -vervlakking heeft plaatsgevonden.

Uit talrijke tabellen en grafieken die de in enquêtes gepeilde meningen van Nederlanders over verschillende kwesties in de afgelopen dertig jaar weergeven, leidt de auteur af dat – in weerwil van de wijdverbreide morele bezorgdheid – de normatieve consensus in de Nederlandse samenleving per saldo is toegenomen en zich minstens evenzeer een `verhoging', `aanscherping' en `expansie' van normen heeft voorgedaan als `verlaging', `vervlakking' en `erosie'. De aanscherping van normen houdt bijvoorbeeld in dat overspel steeds meer wordt afgekeurd en dat daarentegen euthanasie op grond van eigen keuze steeds meer toelaatbaar wordt geacht. Deze voorbeelden illustreren meteen wat het probleem is: wat vanuit het ene gezichtspunt aanscherping van een norm (huwelijkstrouw, zelfbeschikking) is, kan vanuit het andere als aantasting van een norm (zelfbeschikking, bescherming van het menselijk leven) worden aangemerkt. Ik zie eerlijk gezegd niet wat de enquêtegegevens anders kunnen aangeven dan veranderingen in normatieve opvattingen.

Ondanks zijn genuanceerde uitgangspunt ziet Van den Brink wel degelijk redenen tot bezorgdheid. Want de aangescherpte normen zijn, meent hij, particuliere normen, die mensen in de privé-sfeer hanteren zonder zich te bekommeren om de publieke moraal. Ze stellen in het algemeen hogere eisen aan zichzelf wat betreft opleiding en beroepscarrière, ze krijgen te maken met hogere prestatienormen en zwaardere verantwoordelijkheden in hun werk en ook aan levenspartners worden steeds hogere eisen gesteld, zoals bijvoorbeeld blijkt uit contactadvertenties. Maar in de publieke sfeer vervagen en verbrokkelen de regels van het sociale verkeer. Met het wegvallen van de sociale controle van de kant van kerken en verzuilde organisaties, het verminderde respect voor gezag en de verbreiding van een `assertieve levensstijl' eisen mensen steeds meer persoonlijke ruimte op, gaan ze steeds meer hun eigen gang zonder zich iets aan anderen gelegen te laten liggen.

Hier manifesteren zich, kortom, de negatieve gevolgen van individualisering. De publieke ruimte staat nu volgens de auteur `in het teken van een verregaande liberaliteit: in feite nam de variatie zo sterk toe dat het onderscheid tussen normaal en abnormaal voor menigeen volslagen duister is geworden'. Mede door dit algeheel dalende normbesef is het onderlinge geweld toegenomen. Er zijn tegenwoordig `méér burgers die gehoor geven aan een agressieve opwelling. Ze zijn niet bereid of niet in staat om zichzelf in dit opzicht te beperken en delen meteen klappen uit'.

Waar Van den Brink zich in het eerste deel van zijn rapport opstelde als een strenge wetenschapsman, verlaat hij zich hier voornamelijk op losse indrukken. Verder valt op dat hij een scherp maar niet duidelijk omschreven onderscheid maakt tussen privé-sfeer en publieke sfeer, alsof het om volstrekt gescheiden werelden zou gaan. Veel van het sociale leven speelt zich echter af in organisaties – bedrijven, scholen, verenigingen – die tussen die beide sferen in te situeren zijn. Wat in de ene sfeer wordt geleerd en tot gewoonte gemaakt, wordt in de andere niet plotseling vergeten.

Het beeld dat Van den Brink schetst van `de publieke ruimte' als een regelloze jungle is even impressionistisch als karikaturaal. Wie zich bijvoorbeeld op een zonnige dag in de Amsterdamse binnenstad begeeft, zal kunnen constateren dat daar – zelfs daar – talrijke geschreven en ongeschreven regels gelden waar vrijwel iedereen zich aan houdt: men rijdt rechts, vermijdt botsingen en fysieke aanrakingen, houdt bepaalde lichaamsdelen bedekt, negeert onbekenden, enzovoort. Het uitdelen van klappen wordt zelden waargenomen. Niet iedereen hanteert precies dezelfde regels op precies dezelfde wijze, wat soms leidt tot wrijvingen en irritaties, maar dat betekent niet dat het onderscheid tussen normaal en abnormaal `volslagen duister is worden'.

Wanneer men ziet dat anderen een gangbare norm overtreden – bijvoorbeeld om niet in het openbaar te urineren, of niet languit op straat te liggen – is de gebruikelijke reactie zich er niet mee te bemoeien. Dat is geen teken van verminderende sociale controle, maar behoort van oudsher tot de strategie van conflictvermijding en `civil inattention' in het stedelijke sociale verkeer.

Van den Brink zegt weinig over de trends die moeten bewijzen dat de publieke normen zijn geërodeerd, zoals de toename van criminaliteit en gewelddadig gedrag. Ook gaat hij niet in op mogelijke tegentendenties die juist zouden kunnen wijzen op een versterking van de publieke moraal, zoals de bloei van filantropie en vrijwilligerswerk. En dan is er de vraag óf en in hoeverre de negatieve ontwikkelingen allemaal verklaard kunnen worden uit één master trend: individualisering, verzwakking van sociale cohesie en sociale controle, gepaard aan versterking van individuele ego's. Als die verklaring enige geldigheid heeft is zij in elk geval onvolledig; elk van de negatieve trends afzonderlijk behoeft veel specifiekere verklaringen.

Bij een algemene diagnose hoort echter een algemene remedie. Van den Brink bepleit, en ontwaart ook al enigszins, een nieuw `beschavingsoffensief', een term die eerder bedacht is als omschrijving van de inspanningen van burgers in de achttiende en negentiende eeuw om de lagere klassen tot een hoger beschavingspeil te verheffen. In de uitwerking komt de auteur helaas niet veel verder dan een oproep tot `modern burgerschap' waarbij allen `zich inzetten voor de publieke zaak'. De meest concrete aanbeveling is om de monarchie (`een instantie die boven alle particuliere belangen en partijen staat') in te zetten voor de versterking van de publieke moraal. Dat lijkt me geen goed idee, alleen al omdat hiermee wel een erg zware wissel wordt getrokken op de morele onkreukbaarheid van de leden van de koninklijke familie.

Wie een indruk wil krijgen van wat zo'n nieuw beschavingsoffensief zou kunnen inhouden, kan beter bij andere, meer toepassingsgerichte publicaties terecht, zoals de bundel Waardenvolle of waardenloze samenleving?, die de neerslag is van een in oktober 2003 gehouden symposium aan de Haagse Hogeschool. Docenten in de sociale wetenschappen van deze hogeschool en van enkele universiteiten zoeken hier samen met een aantal politici naar wegen om de gemeenschaps- en burgerzin – de `waardenvolheid' in de samenleving – te vergroten. Een belangrijke rol wordt daarbij toebedeeld aan het onderwijs. Zo pleit een van de redacteuren van de bundel, de psycholoog René Diekstra, samen met Carolien Gravesteijn voor `morele opvoeding' op basisscholen door middel van open communicatie in plaats van eenzijdige instructie, en presenteren dezelfde auteurs in een andere stuk het lesprogramma `Levensvaardigheden', waarin leerlingen van vmbo-scholen aan de hand van praktijkvoorbeelden moeten leren hoe met conflictsituaties om te gaan en moreel verantwoorde keuzes te maken.

Dergelijke voorstellen verdienen overweging, al zijn ze niet allemaal even sterk onderbouwd en kan de praktische toepassing een probleem zijn. Veel ervan is herkenbaar als variant van wat in instellingen van de verzorgingsstaat – jeugdzorg, buurtwerk, reclassering en ook het onderwijs – al gebeurt of in het verleden is geprobeerd. Maar meer dan in het recente verleden het geval was ligt de nadruk hier op integratie, aanpassing en morele verbetering in plaats van emancipatie en welzijn. Dat geeft reden om inderdaad van een `nieuw beschavingsoffensief' te spreken, een hernieuwd streven om verschillende groepen (nu vooral etnische minderheden en laaggeschoolde jongeren) door opvoeden en het stellen van morele eisen beter in de samenleving te integreren. Anders dan in de negentiende eeuw echter zijn de plannen nu voornamelijk afkomstig van overheden en aan de overheid gelieerde functionarissen – in weerwil van de roep om burgerinitiatieven. Tegelijk is voor de realisering van de plannen vanwege rigoureuze bezuinigingen in de `zachte sector' steeds minder geld beschikbaar is. Het `nieuwe beschavingsoffensief' blijft zo voornamelijk een verbale aangelegenheid.

Dat valt de auteurs van Waardenvolle of waardenloze samenleving? niet aan te rekenen. Dat geldt wel voor hun neiging het Goede te verabsoluteren als een gegeven waarover iedereen het op basis van open communicatie eens kan worden. Daarbij vergeten zij dat moraal te maken heeft met macht en aardse belangen. Zoals de titel aangeeft, lijkt de enige relevante keus die tussen een `waardenvolle' en een `waardenloze' samenleving te zijn, alsof menselijk samenleven zonder `waarden' (opvattingen over wat wenselijk is) überhaupt denkbaar is, en alsof er maar één soort waarden zou bestaan. Deze neiging tot moreel absolutisme is verbonden met de hang naar een echte gemeenschap, gedragen door consensus. Maar – in weerwil van waar de meeste Nederlanders volgens het laatste SCP-rapport naar verlangen – die gemeenschap zal er niet komen en hoeft er ook niet te komen.

Diekstra, Van den Brink en al die andere hedendaagse moralisten hanteren expliciet of impliciet één soort verklaring voor het veronderstelde morele verval: het komt door de individualisering, de verzwakking van gemeenschapsbanden. Maar is er eigenlijk wel sprake van zo'n individualiseringsproces? Dat is de vraag die de socioloog Jan-Willem Duyvendak en de publicist Menno Hurenkamp met een aantal andere auteurs zich stellen in de bundel Kiezen voor de kudde. De vraag wordt hier tot Nederlandse en eigentijdse proporties teruggebracht: alleen ontwikkelingen binnen Nederland vanaf, op z'n vroegst, de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw worden bezien. Het begin van het boek onthult al meteen de conclusie: de gedachte van individualisering is een `mythe'.

Die uitdagende stelling wekt verwachtingen, die helaas niet helemaal worden waargemaakt. `Individualisering' heeft, zoals de auteurs zelf opmerken, verschillende betekenissen en is in elk van die betekenissen moeilijk meetbaar, zodat ook moeilijk te bewijzen valt dat individualisering niet is opgetreden. Het beste lukt dat in deze bundel waar het begrip (impliciet) gedefinieerd wordt als het zich terugtrekken van individuen uit vrijwillige organisaties. Anders dan men op grond van Amerikaans onderzoek zou verwachten, zijn Nederlanders nu vaker lid van verenigingen en daarin niet minder actief dan omstreeks 1980, toen de participatiegraad al hoog was.

Ingewikkelder wordt het waar individualisering gedefinieerd wordt als `heterogenisering' of `pluriformering' – het toenemen van diversiteit in opvattingen – en als `privatisering' – vermindering van de mate waarin opvattingen en gedragingen van individuen door groepskenmerken worden bepaald. Op grond van reeksen opinie-onderzoeken vanaf de jaren zeventig concludeert Paul de Beer dat er `enige aanwijzingen' zijn `voor een tendens van pluriformering', maar dat die `niet sterk en eenduidig' zijn. Wat de `privatisering' betreft zou er eerder sprake zijn van een tegengestelde tendens: de mate waarin individuele opvattingen door groepskenmerken worden bepaald is de afgelopen decennia per saldo toegenomen. Het materiaal waarop deze bewering is gebaseerd, is echter niet toereikend. Om zo'n conclusie verantwoord te kunnen trekken zou op zijn minst steeds door de jaren heen met dezelfde onafhankelijke (de groepskenmerken) en afhankelijke variabelen (de gemeten opvattingen) moeten worden gewerkt en dat is hier niet gebeurd.

Ook Duyvendak en Hurenkamp erkennen in hun slotbeschouwing dat de keuzevrijheid van Nederlanders de afgelopen decennia wel degelijk is toegenomen. Maar, voegen zij daar direct aan toe, dat heeft er niet toe geleid dat men werkelijk vrij kiest en persoonlijke voorkeuren volgt. De meeste mensen doen wat anderen doen, zij kiezen voor de kudde. Dat klinkt heel plausibel en kan met allerlei voorbeelden worden geïllustreerd – al die jongeren met dezelfde modieuze kleren en kapsels bijvoorbeeld. Maar het volgt niet dwingend uit de gegevens die in deze bundel worden opgevoerd.

Anders dan het woord `kudde' suggereert, interpreteren Duyvendak en Hurenkamp de ontwikkelingen uiteindelijk niet negatief. Integendeel, de conclusie bevat een verrassende wending naar een optimistisch slot, waar ze een trend ontwaren naar het ontstaan van `lichte gemeenschappen'. In deze gemeenschappen zijn de banden die worden aangegaan losser: weak ties nemen de plaats in van strong ties die mensen verbonden in verzuilde tijden; lidmaatschappen die je op kunt zeggen in plaats van verwantschappen voor het leven. Dat leidt tot `vluchtiger banden maar ook tot meer connecties'.

Van sterke, dwingende, vaste naar zwakke, vrijblijvende, vluchtige sociale banden: dat is precies wat vaak individualisering wordt genoemd. Terwijl de auteurs het idee van individualisering als een mythe wilden ontkrachten, geven ze aan het eind van hun boek juist een bevestiging ervan. Ze onderschrijven hier impliciet een positieve opvatting van individualisering. En daarin gaan ze misschien weer wat te ver. De trend op lange termijn naar `lichte gemeenschappen' met vele vluchtige connecties lijkt me onmiskenbaar, maar ook in zo'n samenleving verdwijnen de strong ties niet. Dat geldt het duidelijkst voor het type relaties waar dit boek nauwelijks aandacht aan besteedt: familie-, huwelijks- en liefdesrelaties. Juist op dit gebied heeft zich de afgelopen decennia in alle westerse landen een ingrijpend proces van individualisering, in de zin van toenemende keuzevrijheid, instabilisering en ook `pluralisering' voltrokken (getuige bijvoorbeeld het feit dat inmiddels nog maar ongeveer een kwart van de Nederlandse huishoudens valt onder het standaardgezin van een echtpaar met een of meer kinderen). De vele emotionele drama's die met die ontwikkeling gepaard gaan, laten tegelijk zien hoe sterk mensen affectief van elkaar afhankelijk zijn gebleven. Gezinnen zijn minder stabiel geworden, lichte gemeenschappen zijn het daarmee nog niet.

Bij alle beperkingen bevat Kiezen voor de kudde toch heel zinnige en lezenswaardige kritiek op valse en karikaturale – positieve en negatieve – voorstellingen van individualisme en individualisering. De stelling dat het hele idee van individualisering niets dan een mythe is wordt echter niet waargemaakt, terwijl aan het eind van het boek juist een wat te eenvoudig en optimistisch beeld van individualisering in de zin van vervluchtiging van sociale banden wordt gegeven. Maar deze bundel is ook een nuttig en nuchter tegenwicht tegen het gemakkelijke morele geweeklaag dat zich vaak zo weinig aantrekt van wat er werkelijk aan de hand is.

G. van den Brink: Schets van een beschavingsoffensief. Over normen, normaliteit en normalisatie in de Nederland (WRR, serie `Verkenningen'). Amsterdam University Press, 209 blz. €34,95

René Diekstra, Max van den Berg, Jakop Rigter (red.): Waardenvolle of waardenloze samenleving? Over waarden, normen en gedrag in samenleving, opvoeding en onderwijs. Karakter, 399 blz. €19,99

Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp (red.): Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid. Van Gennep, 254 blz. €22,50