Tegen de oorlog

Als beeldend kunstenaar kun je de oorlog op drie manieren behandelen: het vechten en de gevolgen daarvan zo goed mogelijk vastleggen; er propaganda tegen maken; de helden eren. Er zijn omstandigheden waaronder dat allemaal tegelijk mogelijk is, maar dat zien we zelden.

In het Whitney Museum of American Art is tot 28 november een kleine tentoonstelling, Memorials of War, die door The New Yorker wordt beschreven als `de directe verbeelding van wat een galerie stampvol protest tegen de oorlog niet vermag te geven; een aantal nauwkeurige, ontroerende werken, door de samenstellers met historisch perspectief gearrangeerd'. Zeker in deze laatste dagen voor de verkiezingen, met de oorlog in Irak steeds dringender aanwezig, mag je zoiets niet missen.

Het is in een betrekkelijk kleine zaal op de vijfde verdieping. Bij de ingang op de grond liggen een stuk of acht opgevulde legeruniformen. Wie de laatste halve eeuw vaker in musea is geweest, heeft wel meer dingen op de grond zien liggen. Dit is een voorproef, of een monster van wat Edward Kienholz in 1970 wilde maken. Het was zijn bedoeling een flink stuk land om te ploegen, daar vijftigduizend opgevulde uniformen neer te leggen, het geheel voor het publiek afsluiten en het vijf jaar in weer en wind laten liggen. Daarna kon iedereen zien wat er van deze plaatsvervangers van de bloem der natie was geworden. Het is een idee, maar Kienholz heeft veel betere gehad en uitgevoerd. Wanneer krijgen we in Amsterdam The Beanery terug, dacht ik.

In een vitrine heeft Chris Burden zijn America's Darker Moments opgesteld. In deze installatie wordt een aantal van deze momenten verbeeld door middel van in tin gegoten figuurtjes met hun toebehoren. Bij Hirosjima stijgt de paddestoelwolk op; bij My Lai rent het door napalm verbrande meisje weg; in Dallas rijdt de open auto met daarin de zojuist getroffen president Kennedy. Bij Kent State University knielt het meisje bij de op het asfalt liggende student – een van de vier die in een demonstratie door de politie is doodgeschoten. Ik respecteer de bedoelingen van de kunstenaar, maar het leek me geknutsel.

Kort nadat de oorlog in Irak was begonnen, verscheen op het televisienieuws een jongetje van een jaar of tien dat in een bombardement zijn armen was kwijtgeraakt. Golven van ontroering overspoelden het publiek. Dat kon je geen collateral damage meer noemen. Het waren verschrikkelijke beelden. Hij begreep niet wat hem was overkomen. Het verlies van zijn armen was een totale onvatbaarheid. ,,Wat wil je graag hebben?'' vroeg iemand die het goed met hem voor had. In zulke situaties heb je aan die mensen geen gebrek. Twee nieuwe armen, zei hij voor de camera. Dat was mogelijk, de moderne techniek staat voor niets. In de landen van de `Coalition of the willing' werd geld bij elkaar gebracht. Het laatste wat ik van hem heb gehoord, is dat hij naar Londen zou gaan om zich daar twee nieuwe armen te laten aanmeten.

Als mediaheld heeft hij het niet verder gebracht. Het gebeurde dan ook in de tijd dat het goed leek te gaan met de oorlog. Natuurlijk is het tragisch, redeneerden de moraaltheologen. Maar je kunt het lot van één kind niet vergelijken met de bevrijding van een volk. Toen was hij even de held van het mediagenieke drama, ten koste van anderen die het ook met een lichamelijk verlies moesten bekopen, maar niet deze aanvallige leeftijd hadden. Dat kereltje heeft geluk gehad, zeiden ze. Iemand van een jaar of zestig was vast en zeker niet zo mooi geholpen. In ieder geval heeft hij het nog niet tot een tentoonstelling in een museum gebracht.

Altijd weer dezelfde vraag: helpt kunst tegen de oorlog tegen de oorlog? In de jaren twintig is in Duitsland het anti-oorlogsmuseum opgericht. Daar waren de gruwelijkste foto's te zien, van alle verminkingen waarmee een mens nog kan overleven. Een van de eerste daden van Hitler na de Machtsübernahme van 1933 was het sluiten van dit museum. Het beste, overtuigendste monument tegen de oorlog in Vietnam staat op Veteran Square in New York. Het bestaat uit een muur waarop in reliëf, in het oorspronkelijk handschrift, citaten zijn aangebracht uit brieven die de soldaten naar huis schreven. De beste film over Vietnam heet Letters Home From Vietnam, waarin dergelijke citaten als tekst bij de beelden dienen.

Kunst tegen de oorlog is onvermijdelijk. Maar helpt het? In zijn In deze grootste tijd schrijft E. du Perron over zijn bezoek aan zo'n tentoonstelling in Parijs. Hij ziet daar niet veel bijzonders, op één tekening na. Mussolini is zijn oorlog tegen Abessinië begonnen. De troepen van de Negus bieden meer weerstand dan verwacht. De Italianen, veroordeeld door de Volkenbond, krijgen gebrek aan lood voor hun kogels. Onder de Italianen wordt een loodinzameling gehouden. Op deze tekening staat een klein jongetje dat geen afstand van zijn loden soldaatjes wil doen. Zijn moeder zegt: ,,Geef ze nou maar, Carlo. Het is voor de Abessijnse kindertjes.'' Uit Punch, opgeheven Brits humoristisch weekblad, herinner ik me een cartoon. Twee zeer oude heren zitten in hun club over de toestand in de wereld te praten. De ene stampt met zijn stok op de grond en zegt: ,,Let's fight, Throckmorton! Let's fight!''

Allemaal mooie documenten van vergeefsheid.