Overleven in tijden van bevrijding

De oorlog in Irak speelt een beslissende rol in de Amerikaanse verkiezingen van dinsdag. Wat is er nog over de Iraakse economie, na de sancties tegen Saddam en de `bevrijding' door Amerika? De donorhulp komt nauwelijks door, de schuldenlast is enorm, zelfs de olieopbrengsten vallen tegen.

Deze week een jaar geleden, stond Frank Danielsson, medewerker van de Amerikaanse aannemer Kellog, Brown & Root voor een zaal met Iraakse zakenmannen in Bagdad. De 23-jarige Amerikaan gaf contracten weg die bedoeld waren voor de wederopbouw van het land. De zakenmannen waren ontevreden omdat de contracten erg klein waren. ,,We hebben ook nog iemand nodig die ons honderd pakjes `Post-it' memoblokjes kan leveren, wie heeft er de beste aanbieding?'' riep Danielsson de zaal in.

Het Baghdad Business Center, onderdeel van de in juni 2004 vertrokken Amerikaanse Tijdelijke Coalitie Autoriteit, bracht de westerse bedrijven die de grote contracten hadden binnengehaald, wekelijks samen met Iraakse onderaannemers. Vanuit een kantoor in het conferentiecentrum, in het hart van de door hoge betonnen muren omringde `Groene Zone', probeerden idealistische Amerikaanse ambtenaren de Irakezen en westerse – voornamelijk Amerikaanse – bedrijven dichter bij elkaar te brengen. Via een mooie website konden de Irakezen inschrijven op opdrachten zoals de levering van koelkasten en prullenbakken voor Amerikaanse legerkampen en Iraakse ministeries.

De Irakezen klaagden dat ze in 1991, na de eerste Golfoorlog, het land binnen drie maanden weer op stoom hadden. ,,De hele infrastructuur was vernietigd, maar Saddam Hoessein gaf ons de vrije hand. Water, elektriciteit, kapotte bruggen en gebouwen – alles hebben we zelf weer gemaakt'', vertelde Qusay Del Bassi, eigenaar van het bouwbedrijf dat nota bene het conferentiecentrum in de groene zone zelf had gebouwd in de tachtiger jaren, ondanks de strenge sancties, gebrek aan geld en buitenlandse expertise. ,,De Amerikanen houden de wederopbouw nu in eigen handen, maar kennen onze cultuur niet. Daar komen problemen van'', voorspelde Del Bassi.

Nu, één jaar later, heeft hij gelijk gekregen. De wederopbouw van Irak is volledig vastgelopen. Nog steeds staan de Irakezen in de rij voor benzine, valt de stroom dagelijks uit en is het kraanwater ondrinkbaar. Frank Danielsson is terug in de Verenigde Staten. Hij zou maar drie maanden in Irak blijven, net als zijn collega's, vertelde hij na zijn ontmoeting met de Iraakse zakenmannen. Dat vond hij jammer, aangezien hij verwachtte na drie maanden net een beetje te zijn ingewerkt. De website van het Bagdad Business Center, waar Iraakse ondernemers en westerse bedrijven elkaar kunnen ontmoeten, doet het nog. Maar er valt sinds de machtsoverdracht in Irak in juni geen activiteit meer te bespeuren.

Voor de werknemers die de wederopbouw moeten uitvoeren, is Irak een levensgevaarlijk land geworden. Was Frank Danielsson – een jonge, lange man met blond haar en spijkerbroek – nog in Bagdad geweest, dan had hij niet over straat gekund zonder westers beveiligingsteam. Voor meer dan 1500 dollar per persoon per dag huren de overgebleven westerse bedrijven voormalige Nepalese Ghurka's, SAS-commandanten, Zuid-Afrikaanse huurlingen en Servische veteranen in om zich te beveiligen. Zijn collega's moeten zich nu vervoeren in een bepantserde auto à 250.000 dollar. Ze slapen in de groene zone, het Amerikaanse zwaarbeveiligde fort aan de oevers van de Tigris rivier. Meer dan 56 chauffeurs van Danielssons bedrijf, onderdeel van het Amerikaanse Halliburton, zijn ontvoerd en vermoord door het Iraakse verzet. De meeste westerse werknemers hebben ondertussen het land verlaten.

Of de Iraakse zakenman Qusay Del Bassi nog in Irak is, is onduidelijk. Zijn telefoon werkte destijds niet, dus had het geen zin zijn nummer te geven. Voor veel rijke Irakezen, zoals del Bassi, is het leven in Bagdad een gevaarlijke tombola geworden. In het land is een ontvoeringindustrie op gang gekomen die zich voornamelijk richt is op Iraakse families uit de hogere middenklasse. Ontvoeringen van buitenlanders vallen daarbij in het niet. Duizenden mensen zijn de afgelopen maanden voor geld gegijzeld, of omdat ze samenwerken met de bezetters. Meer dan tweehonderd professoren zijn geliquideerd door het verzet omdat ze werden beschuldigd van het verspreiden van `westerse' invloeden.

In plaats van dat hoogopgeleide Irakezen na de val van Saddam naar hun land terugkeren, is er een ware braindrain op gang gekomen. Sinds de macht is overgedragen aan de interim-regering van Iyad Allawi in juni hebben meer dan vijfhonderdduizend mensen een paspoort aangevraagd. Meer dan tweeduizend professoren hebben het land vaarwel gezegd. Zakenmensen en investeerders zijn naar buurland Jordanië vertrokken, uit angst voor het geweld en uit teleurstelling in het investeringsklimaat.

Op de grote donorconferentie in Madrid van oktober vorige jaar, zegde de internationale gemeenschap 22,2 miljard dollar toe. Uit een vorige maand verschenen rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) bleek dat slechts 3 procent van dat geld daadwerkelijk is overgemaakt. Het fonds meent dat Irak `macro-economisch' stabiel is. Voor 2004 voorspelt zij een economische groei van 52 procent. Dat moet echter wel tegenover een daling van 35 procent in het oorlogsjaar daarvoor worden gezet. Voor 2005 verwacht het IMF een groei van 17 procent. Op papier staat Irak er beter voor dan in het jaar van de invasie, toen het land nog afhankelijk was van het voedsel-voor-olie programma, maar de overgang naar de vrije markt wordt verstoord door het geweld en door donorhulp die niet doorkomt.

Grote zorgen maakt het IMF zich over de 124,9 miljard dollar schuld die het land nog heeft uitstaan. Een loden last, zo meent het fonds. Onder andere Rusland, Frankrijk, Duitsland, Saudi-Arabië en Koeweit hebben geld geleend aan het regime van Saddam Hoessein. Die laatste twee landen financieren de oorlog tegen het sji'itische Iran, dat deze week bekend maakte meer dan 90 miljard compensatie te claimen voor de Iran-Irak oorlog (1980-1988). De Verenigde Staten hebben herhaaldelijk gevraagd de schulden met 90 procent te reduceren, maar de schuldeisers wijzen op de gigantische Iraakse olievoorraden die voor inkomsten moeten zorgen.

Die leveren echter voorlopig veel minder op dan verwacht. Dit jaar voorspelt het IMF dat Irak 16,2 miljard aan olieverkopen zal verdienen. Volgend jaar moet dat bedrag met één miljard zijn gegroeid. Amerika's vice-minister van defensie Paul Wolfowitz dacht vóór de invasie nog dat het land binnen twee jaar 50 tot 100 miljard dollar aan olie-inkomsten kon binnenhalen. Nu is de vraag of zelfs de IMF-cijfers van ruim 16 miljard reëel zijn. De afgelopen anderhalf jaar is Irak's olie-industrie herhaaldelijk onder vuur komen te liggen. Pijpleidingen, de aders van de Iraakse economie, werden meer dan tweehonderd keer opgeblazen. Experts schatten dat er tussen de 7 en 12 miljard dollar aan mogelijke exportinkomsten verloren is gegaan.

De enigen die écht verdienen aan de oorlog in Irak zijn de werkgevers van Frank Danielsson: de grote Amerikaanse bedrijven die zonder openbare aanbesteding lucratieve opdrachten kregen. Halliburton, het moederbedrijf van aannemer Kellog Root and Brown sleepte vlak na de oorlog een wederopbouwcontract van bijna twee miljard dollar binnen. Halliburton, een Texaans bedrijf dat facilitaire werkzaamheden voor de olie-industrie verricht, werd tot 2000 geleid door Dick Cheney, die nu vice-president is. De Financial Times meldde dat het bedrijf in het eerste kwartaal van 2004 een omzet van meer dan 80 procent had ten opzichte van een jaar daarvoor. Bechtel, een andere Amerikaanse multinational die actief is in Irak, maakte voor het eerst in drie jaar weer winst buiten de Verenigde Staten: het bedrijf zag zijn inkomsten stijgen met 158 procent.

Wapenfabrikant Lockheed Martin is niet aanwezig bij de wederopbouw van Irak en is toch de grootste winnaar. In 2004 zijn de aandelen van het bedrijf in waarde verdrievoudigd in vergelijking met het dieptepunt van 2004. Een woordvoerder van Lockheed zei in een interview met de New York Times dat het succes te danken is aan ,,het veranderde geopolitieke landschap''. Lockheed doneerde dit jaar een totaalbedrag van 1.4 miljard dollar aan de Republikeinse partij en de Democraten, waarvan 59 procent naar de Republikeinen ging.

Slechts een klein deel van het voor Irak bestemde geld vindt daadwerkelijk zijn weg naar de bevolking en de lokale economie. Volgens het Center for Strategic and International Studies, een onafhankelijke denktank in Washington, komt er van de 18,4 miljard dollar die het Amerikaanse congres heeft toegezegd, 27 procent bij de Irakezen terecht. De rest gaat op aan verzekeringen en salarissen voor buitenlandse werknemers (12 procent), overheadkosten (10 procent), corruptie en mismanagement (15 procent), winsten buitenlandse bedrijven (6 procent) en veiligheid (30 procent). Althans, dat is de verwachting. Vanwege de onveiligheid is slechts 1,1 miljard van de 18,4 miljard aan hulpgeld daadwerkelijk uitgegeven in Irak.

Toch merken de Irakezen dat ze meer dinars te spenderen hebben. De upmarket Arasatstraat in Bagdad weerspiegelt de opkomst van nieuwe Iraakse welvaart. Elektronicafabrikant Samsung heeft hier aan iedere lantarenpaal een reclamebord hangen. Platte tv's hangen in etalages, nieuwe Mercedessen en en BMW's cruisen langzaam door de straat. Naast het plunderen vlak na de oorlog, gingen veel Irakezen zich te buiten aan westerse goederen die goedkoop en onbelast het land binnenkwamen. Nadat de Amerikaanse ambassadeur Paul Bremer in mei 2003 het leger ontbond, was hij nog wel zo wijs om de soldaten soldij te blijven geven, net als de andere werknemers van de overheid. Iraakse gezinnen zagen hun maandinkomsten plotseling van 5 dollar naar honderd dollar toenemen. ,,De koopkracht is enorm gestegen'', vertelde een tevreden handelaar in oktober 2003. ,,IJskasten, televisies, satellietontvangers, men koopt zich een slag in de rondte.''

Maar nu alle ministeries weer zijn gemeubileerd en de pas aangeschafte airconditioner nog jaren meegaat, begint de handel zich te stabiliseren. Met de komst van de hogere lonen zijn ook de prijzen gestegen. De plotselinge stijging in koopkracht is daardoor alweer afgenomen. Er is ook onvrede over de maandelijkse salarissen die ieder zakelijk initiatief voor veel Irakezen overbodig maken. ,,Er zijn mensen die een salaris

ontvangen, maar nooit op hun werk

komen'', klaagde de Iraakse minister voor industrie in de Bagdadse krant Al Quds. ,,Een Iraakse werknemer is hooguit twintig minuten per dag productief.''

De geplande overgang van een gesubsidieerde planeconomie naar een Arabisch voorbeeld van de vrije markt is ook mislukt. Amerika wilde stoppen met subsidies op benzine in Irak, maar zag daar vanaf uit angst voor maatschappelijke onrust. Een liter benzine in Bagdad kost nu slechts 1,4 dollarcent – goedkoper dan water. Een soortgelijk plan om de ruim tweehonderd staatsbedrijven te privatiseren is nog steeds niet uitgevoerd. Iraakse politici vreesden dat de buitenlandse investeerders de fabrieken zouden opkopen en in onderdelen doorverkopen. Ondertussen worden alle staatsbedrijven vakkundig geplunderd. Satellietbeelden tonen plekken waar anderhalf jaar fabrieken stonden, die nu volledig zijn verdwenen.

In het conferentiecentrum, waar vorige jaar nog contracten werden uitgedeeld, moeten bezoekers eerst door drie strenge controles alvorens binnengelaten te worden. Twee weken geleden ontplofte er een bom in een van de restaurants binnen de groene zone. Acht mensen kwamen om. De straat voor het centrum is omgedoopt tot suicide alley vanwege de zelfmoordaanslagen die er vaak plaatsvinden.

Ondanks het gevaar verdringen Irakezen zich voor de ingang op zoek naar banen. ,,Ja, ik weet dat het gevaarlijk is, maar verder kan ik geen baan vinden in Irak'', zei een man die in juni van dit jaar in de rij stond. Onder zijn arm droeg hij een aktetas en op zijn neus een moderne bril. Van de Irakezen is zes op de tien werkloos. ,,Hoewel, ik kan altijd nog bij het verzet'', grapte hij. ,,Die hebben wel werk voor ons.''