Ongewenste malloten

Ziektewinst. Het is een woord dat in de laatste druk van Van Dale niet te vinden is, maar dat je steeds vaker hoort. Ook in Geen nacht zonder, het debuut van Volkskrant-redacteur Aleid Truijens, duikt het op. Ze brengt het met de nodige schroomvalligheid, omdat het een lelijk neologisme zou zijn. Dat ben ik niet met haar eens. Het is een goed in de mond liggend, compact woord, intrigerend door de schijnbare tegenstrijdigheid ervan. Hoe kan ziekte nu rendabel zijn? Truijens legt uit op welke manieren je met een ernstige ziekte, van jezelf, of beter nog, van een naast familielid, je voordeel kunt doen. Je kunt met een erge ziekte iedereen de loef afsteken of de mond snoeren, want wat stelt andermans griep of relatiecrisis nu voor in vergelijking met bijvoorbeeld kanker. Je bent bij voorbaat verontschuldigd voor saaie verjaarspartijen en recepties. Je hoeft niet te reageren op brieven of ansichten met bemoedigende tekst. Je hoeft niet met vakantie of je kan juist wel met vakantie, als je dat graag zou willen. En als je een prettige werkgever hebt, hoef je een tijdlang niet of veel minder te werken. Ook het wereldleed drukt veel minder zwaar als er thuis iets grondig mis is.

Truijens beschrijft in Geen nacht zonder de ziektegeschiedenis van haar eigen zoon, hier Tom geheten. Hij was vier toen bij hem de diagnose leukemie werd gesteld en zes toen zijn beenmerg geen `blasten' meer bevatte. Het ergste leed was toen wel geleden, al waren zijn ouders en oudere zus Puck er nog niet meteen gerust op. Na nog eens vijf jaar zonder lymfoblasten, zou Tom pas echt genezen worden verklaard. Truijens concentreert zich vooral op die twee jaar, waarin regelmatige ziekenhuisopnames al gauw tot de gezinsroutine gingen behoren en dus ook de bijbehorende ruggenmergpuncties, de infusen, de chemotherapie en de prednisonkuren. Minder snel wende de voortdurende angst dat hij het, met een geschatte overlevingskans van 75 procent (in zijn behandelprotocol was sprake van `medium risk') niet zou halen. Jaren van spanning dus, maar ook van ongekende rust omdat er zoveel ook juist niet hoefde. `Een tijdlang gedwongen leven in het tempo van de trekschuit', zoals Truijens het uitdrukt. `Goed beschouwd was het een buitenkans.'

Aan alles is te merken dat Tom, al meteen geclassificeerd als een van de lichtere gevallen op de afdeling F8 Noord van `het Academisch Ziekenhuis', zijn ziekte glansrijk heeft overleefd. De toon van het boek geen roman, maar een mengsel van verhaal en lichtvoetig essay is eerder luchthartig te noemen dan ernstig. Eerder droogkomisch dan zwaar op de hand, met vermijding van de larmoyante toets, of ook maar de geringste zweem van pathetiek. Zou ik dit boek in één woord moeten karakteriseren, dan zou ik kiezen voor stoer. Zorgvuldig kiest Truijens haar woorden. Wij zien, als de akelige diagnose wordt gesteld, geen vader en moeder die elkaar snikkend in de armen vallen. Wij zien `versteende ouders', die hun ongemak en hun leed in stilte verbijten. De kwaadaardige kankercellen worden nogal laconiek beschreven als `ongewenste malloten in een nietig lijf'.

Er is, met andere woorden, veel vormgeving heengegaan over de beschrijving van de lotgevallen van Tom en zijn naasten. Resoluut wordt een overmatig vertoon van emotie buiten de deur gehouden. Soms krijgt daardoor de ironie wat te veel de overhand, zoals in een al te jolig hoofdstukje over de dood die altijd en overal op de loer zou liggen, of over het al te geinige geklaag over babyverzorging en borstvoeding. Meestal weet Truijens de juiste toon wel te treffen en geeft ze, naast veel stemmige en aandoenlijke ziekenhuistaferelen, mooie mini-beschouwingen ten beste over uiteenlopende onderwerpen. Zo beschrijft ze gloedvol de onschatbare waarde van de rafelige en stinkende knuffelpoes Poefje, die de kleine patiënt bijstond in veel bange dagen en nachten. Enigszins bezorgd maakt ze melding van het reilen en zeilen van het oudere zusje, dat een paar jaar wat te weinig aandacht kreeg en met haar stralende gezondheid moest leven in de schaduw van het zieke broertje. Het meisje leefde helemaal op toen ze haar arm brak, want toen was zíj ook even beklagenswaardig.

Ronduit verontwaardigd klinkt Truijens als ze het heeft over de valse voorstelling van kanker als een ziekte waar de patiënt tegen zou kunnen vechten en die hij of zij zou kunnen overwinnen. De kinderen die stierven op de afdeling F8 Noord hadden geen gebrek aan vechtlust. Bij hen sloeg eenvoudigweg de behandeling niet aan. `Ze hadden gewoon pech, die kinderen. Domme, onredelijke pech.' Ze drukt ons in dit verband nog maar eens met de neus op onze sterfelijkheid. `We gaan er aan, allemaal.' Zoals ze ons er ook op wijst dat je verdriet niet met iemand kan delen, zoals de volksmond wil. Kansberekening, nog zoiets waar mensen zich graag aan vastklampen. Maar als het erop aankomt, dan zeggen de cijfers weinig over de individuele patiënt. Want iemand met 80 procent overlevingskans kan gewoon overlijden, terwijl die zielenpoot met maar 10 of 20 procent, die eigenlijk door iedereen al was opgegeven, zijn leven juist weet te rekken.

Truijens schreef een vrolijk boek over een onvrolijk onderwerp. We gaan er weliswaar allemaal aan, maar voordat het zover is, valt er nog heel wat te genieten. Bijvoorbeeld van de beeldende taal waarin alle malheur die we onderweg naar het einde tegenkomen, wordt vastgelegd. Geen nacht zonder lijkt mij een overtuigend geval van ziektewinst.

Aleid Truijens: Geen nacht zonder. Cossee, 144 blz. €14,90