Kernpunten grondwet EU

Kernpunten uit het grondwettelijk verdrag van de Europese Unie:

De Europese Raad van regeringsleiders krijgt een vaste voorzitter voor 2,5 jaar (een keer herbenoembaar). Voor de benoeming is instemming van het Europees Parlement vereist.

Het aantal beleidsterreinen waarover de Europese ministers kunnen beslissen met `gekwalificeerde meerderheid' wordt uitgebreid. Daarvoor is vereist dat minimaal 55 procent van de lidstaten, die tezamen meer dan 65 procent van de EU-bevolking vertegenwoordigen zich er voor uitspreken.

De Europese Commissie krijgt een vice-voorzitter die tevens optreedt als minister van Buitenlandse Zaken van de EU.

Na 2014 wordt de Europese Commissie verkleind tot achttien leden, bij toerbeurt voor te dragen door de lidstaten.

Het Europees Parlement krijgt op meer beleidsterreinen, waaronder landbouw, medebeslissingsrecht.

Wanneer ten minste een derde van de nationale parlementen meent dat een voorstel van de Europese Commissie niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, moet de Commissie haar voorstel opnieuw bezien.

Minimaal een miljoen burgers uit een verschillend aantal landen kunnen de Europese Commissie verzoeken voorstellen te doen die passen binnen het kader van de Europese grondwet.

De lidstaten houden vetorecht over de meerjarenbegroting van de EU.

Er is geen expliciete verwijzing naar de joods-christelijke traditie. Wel wordt in de preambule in algemene zin verwezen naar ,,de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa''.

Het handvest van de grondrechten van de EU maakt integraal onderdeel uit van de grondwet. Aan de werkingssfeer en reikwijdte zijn zodanige beperkingen opgelegd, dat het Handvest (vooralsnog) geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de EU schept.

Elke lidstaat kan uit de EU treden.