Inspecteur laat 300.000 euro glippen

Toegegeven, de belastinginspecteur kan niet meteen op elk telefoontje reageren. Zo'n ambtenaar heeft het ook druk. Maar te druk om een multinational op eigen verzoek voor – toen nog – een half miljard gulden aan te slaan, dat is kras. De Amsterdamse inspecteur bij wie dit speelde, vond dat ook. Schuldbewust deed hij een belofte die voor de schatkist duur uitpakt, maar waar de rechter hem toch aan houdt.

Een Britse multinational – waarvan de naam niet bekend is geworden – verplaatste in september 2000 een deel van zijn bedrijfsactiviteiten van Londen naar een filiaal in Amsterdam. Dat ging na vier maanden op in een gelieerde Nederlandse vennootschap. Het geheel was een papieren operatie, in werkelijkheid veranderde er eigenlijk niets. Maar er is ook een fiscale werkelijkheid. Daarin leverde de omzetting 0,5 miljard gulden in Nederland te belasten winst op.

Het concern stond te popelen om die belasting te betalen. Men moet namelijk rente betalen over uitstaande belastingbedragen, ook al is nog geen aanslag opgelegd. Die zogenoemde heffingsrente loopt vanaf het eind van een belastingjaar. In dit geval ging de rente lopen dus op 1 januari 2001, gelijk met de introductie van de euro. Het Britse concern kon de verschuldigde belasting contant afrekenen.

Men kan evenwel geen belasting betalen zonder aanslag, al is het maar een voorlopige. Bijna altijd legt de belastingdienst die op eigen initiatief op. Voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting gaan er jaarlijks zo'n 10 miljoen stuks de deur uit. Zo'n voorlopige aanslag wilde de multinational ook. Daarom belde de concernfiscalist al in december 2000 met de inspecteur. Of die alvast een voorlopige aanslag van 500 miljoen gulden wilde opleggen. Maar de kersttijd kwam er aan en de inspecteur zou kijken wat hij nog kon doen. Dat was niet zo veel. Het bedrijf wachtte vergeefs op de blauwe enveloppe. Op 12 januari 2001 hing de multinational opnieuw aan de lijn en op maandag 12 februari nogmaals. Tegen die tijd voelde de inspecteur zich toch wat in gebreke. Hij beloofde nog diezelfde dag in actie te komen. Aanslagen worden geautomatiseerd verwerkt en daar gaat al gauw een maand mee heen. Omdat zonder aanslag geen betaling mogelijk is, liep de rente gestaag op. Dat wilde het bedrijf nou net voorkomen. De inspecteur stak een helpende hand uit. Hij liet weten dat het concern vanaf die zaterdag, 10 februari, verder geen heffingsrente hoefde te betalen. Deze belofte zou later de inzet van een rechtszaak worden.

Op 10 maart produceerde de belastingcomputer inderdaad een voorlopige aanslag, inclusief een renteberekening over de periode 1 januari tot 10 maart. Even de inspecteur gebeld. Vanaf 10 februari hoefde toch geen rente meer betaald te worden? Ja, dat klopt, maar bij nader inzien was de inspecteur niet zo gelukkig met zijn toezegging. Intern was er wrijving over ontstaan; de inspecteur was wel erg toeschietelijk geweest. Volgens de regels mag hij namelijk over een periode van maximaal drie maanden heffingsrente berekenen. Het verzoek was officieel op 12 januari gedaan. Op die basis had de inspecteur rustig tot 10 maart rente kunnen incasseren. Inmiddels had hij spijt van zijn overhaaste toezegging waardoor minister Zalm 300.000 euro aan rente zou mislopen.

Wat de inspecteur ook had beloofd, de belastingdienst liet zich dat bedrag niet ontgaan. Daardoor moest de rechter er aan te pas komen. Het Amsterdamse gerechtshof behandelde de zaak – onder voorzitterschap van mr. Van der Ouderaa – achter gesloten deuren. Op de rechtszitting had de belastingdienst geen boodschap aan de belofte van de inspecteur. Deze ambtenaar, zo hield men de rechters voor, had niet eens de bevoegdheid deze 300.000 euro aan rente te laten zitten: de staat heeft recht op dat geld. Dat had niet alleen de inspecteur, maar ook de belastingafdeling van het concern moeten beseffen.

Met zulke argumenten heeft de belastingdienst een slechte aan mr. Van der Ouderaa. Die geldt namelijk door de jaren heen als een verklaard voorstander van de vrijheid van belastinginspecteurs om zelfstandige beslissingen te nemen. In de Amsterdamse rechtszaal twijfelde niemand er aan dat de inspecteur inderdaad de volle drie maanden aan heffingsrente had mogen vorderen. Een ander punt is dat hij daartoe volgens de rechters niet verplicht was. Het was de vrije beleidsruimte voor de inspecteur die vordering hard te maken of prijs te geven. Daardoor was zijn toezegging om van de 300.000 euro af te zien, voor de staat net zo bindend als andere beslissingen van een inspecteur. Als een ambtenaar lichtvaardig geld door de vingers laat glippen, moet de fiscus dat intern afwikkelen, maar niet op een belastingbetaler afwentelen. Op het woord van een belastinginspecteur moet men kunnen vertrouwen. Staatssecretaris Joop Wijn (Financiën) accepteert het verlies van de rechtszaak en van de 300.000 euro. Hij heeft besloten niet naar de Hoge Raad te stappen.

De rechter moet vaker in actie komen om de belastingdienst aan zijn afspraken te houden. De lagere belastingrechter heeft daarbij de neiging na te gaan wat de inspecteur heeft bedoeld. De Hoge Raad haalt consequent een streep door zo'n benadering. Die verplaatst zich steeds in de burger. De Raad beoordeelt hoe de belastingbetaler de afspraak redelijkerwijs heeft kunnen opvatten. Het risico voor miscommunicatie of te royale ambtenaren ligt dus al met al bij de fiscus. De burger mag er op vertrouwen dat de inspecteur zich aan zijn afspraken houdt, tenzij hij best weet dat de inspecteur buiten zijn boekje gaat. Dat is bijvoorbeeld het geval als de inspecteur een afwijkend tarief hanteert. Kortom, beloofd is beloofd.