`Ik zeil het liefst over diepe afgronden'

Raoul Schrott probeert in zijn grote roman `Tristan da Cunha' een geschiedenis van het verlangen te schrijven. `De vrouw is zichzelf genoeg.'

Ongenaakbaar rijst het op uit de Atlantische Oceaan. Tristan da Cunha, het meest afgelegen eiland ter wereld, is moeilijk te nemen. Stormen, hoge golven en rotsen maken het vaak onmogelijk aan land te gaan. En juist door die slechte bereikbaarheid is Tristan da Cunha een wensbestemming geworden. Ontdekkingsreizigers, utopisten en literaten lieten op het eiland hun eigen voorstellingen los. Jules Verne schreef erover en Raoul Schrott eveneens. Zijn nieuwe roman heet simpelweg Tristan da Cunha. Roman? Dat is wat bescheiden uitgedrukt. Eigenlijk zijn het vier romans door elkaar heen, vier levensverhalen die elkaar op dat eiland kruisen. Als spil van al die verhalen fungeert de Zuid-Afrikaanse poollicht-onderzoekster Noomi Morholt, in 2003 op doorreis naar haar post in het schemerduister van Antarctica. Per ongeluk arriveert er met haar schip ook een kist met papieren van drie onbekenden, die via hun dagboekaantekeningen, brieven en reisbeschrijvingen nader tot ons komen.

,,Ik woon waar Europa eindigt, het lijkt er een beetje op Tristan da Cunha'', vertelt Raoul Schrott (1964) in Amsterdam, dat hij even aandoet voor een lezing. Opgegroeid in Tunis en Landeck, Oostenrijk, woont hij nu het grootste deel van het jaar in Ierland. Hij kijkt daar vanuit zijn kamer recht op de zee uit. Het huis ligt op het zuidwestelijkste puntje van het eiland. ,,Wolken links, wolken rechts, regen, stormen, boeren... Een gesloten gemeenschap waar men elkaar van voren groet en van achteren over elkaar roddelt. Katholiek-schijnheilig, dus op zondag eerst naar de kerk en dan snel naar de pub. Ach, dat is in Oostenrijk in feite hetzelfde.''

In Tunesië leerde Schrott lezen en schrijven. ,,Eerst Frans en toen Arabisch, maar omdat ik niets van die talen begreep heb ik steeds geprobeerd via de intonatie en de mimiek te raden waarover men het had. Dat akoestisch element heeft tot mijn poëzie geleid. En het plezier in talen is van toen af aan gebleven, omdat elke taal een andere toegang tot de wereld verschaft. Het schrijven van proza geeft je bovendien de gelegenheid door de verschillendste maskers naar de wereld te kijken en in de verschillendste rollen te glippen.''

Dat heeft Schrott bij uitstek gedaan in Tristan da Cunha. De markantste van zijn drie hoofdpersonen is Edwin Heron Dodgson, een priester en broer van Lewis Carroll, die in de negentiende eeuw aan een handjevol eilandbewoners als missionaris wordt toegewezen. Dan Christian Reval, een marconist en cartograaf die het eiland in de Tweede Wereldoorlog voor het eerst opmeet en er onder mysterieuze omstandigheiden sterft. Mark Thompsen tenslotte is een postzegelverzamelaar die aan de hand van zijn collectie zowel de geschiedenis van Tristan da Cunha als zijn eigen verleden reconstrueert. Drie totaal verschillende mannen die toch een overeenkomst hebben: elk van hen houdt van een vrouw die hij niet krijgt of om een of andere reden weer verliest.

In de constellatie van de oude Tristan-mythe beleven zij hun drama. Reval vindt een ideale vrouw – die al aan een ander is toebedeeld. Hij moet haar tijdens de overtocht naar haar aanstaande begeleiden en deelt daarmee het lot van Tristan. Dodgson is net als de heremiet Ogrin uit de Tristan-mythe een zoon van zijn verscheurde tijd. Zijn geloof in God raakt hij kwijt. En hij is redeloos verliefd op een vrome eilandbewoonster, bij wie hij een kind denkt te hebben. Mark Thomsen draagt even grote horens als Tristans meester koning Marke. Zijn vrouw gaat er met z'n collega vandoor, een sluwe Hollander.

Intense melancholie vlecht Schrott door de avonturen van die arme mannen heen: hun passies leiden tot zonden die zij maar moeilijk kunnen verwerken. Ze zoeken vervulling aan het andere einde van de wereld en ze vinden er desillusies. Ze jagen verre doelen na en ze begrijpen niets van hun naaste. Ze vluchten naar een plek die erger is dan wat ze achterlieten.

Strijkkwartet

Voor Tristan da Cunha zocht Schrott figuren uit die het verst van hemzelf af stonden en het verst van elkaar. ,,Het zijn een sanguinicus (een driftkikker), een melancholicus (een somberman) en een flegmaticus (een koele kikker) die allemaal naar dat ene object staren. Naar die ene vrouw, die telkens Marah heet, of naar dat ene eiland. Samen met Noomi Morholt vormen zij een strijkkwartet. Elk instrument op zich is nogal dun, maar als het tegelijk met de andere stemmen op hetzelfde thema varieert, dan krijgt het tijd en ruimte. Het was zeer inspannend. Want ik heb nooit postzegels verzameld, ik ben nooit misdienaar in de kerk geweest, ik heb niet in het leger gezeten waar ik voor marconist had kunnen leren, en ik ben ook geen vrouw.'' Een indrukwekkende hoeveelheid vakjargon belandde in het boek. Geologie en cartografie, zeevaartkunde en theologie, metereologie en filatelie: niets was Schrott te dol. Om zijn kennis te controleren zocht hij deskundigen op. ,,Je probeert je hun wereld toe te eigenen. Als je met een natuurwetenschapster praat over het noorderlicht, dan vertelt ze je over elektronen en ionen en stikstof. En dan is het de taak van de schrijver om van dit vakjargon iets te maken dat niet alleen intellectueel prikkelt maar dat ook zinnelijk is.''

Eén keer ging hij zelf naar Tristan da Cunha. Hij zou er niet willen wonen: ,,De maatschappij is er zo anders. Ze hebben daar een vorm van communisme die al tweehonderd jaar functioneert. Er is geen bureaucratie, geen totalitarisme, maar het pure besef op anderen aangewezen te zijn. Nog nooit werd er een moord, inbraak, of echtscheiding geregisteerd. Van buitenaf gezien een nogal passieloos leven, maar behoedzaamheid in de omgang is er noodzakelijk omdat men niet aan elkaar kan ontsnappen.''

Wie het boek leest krijgt een triestige indruk van het eiland. Het weer is er beroerd, de mensen zijn er stug en somber en dan, althans in Dogdsons tijd, vreten ook nog eens hordes ratten het schaarse voedsel op. Wil Schrott de utopie dan toch slopen? ,,Zeker niet. Er zijn alleen veel paradoxen rond dat eiland en nog meer raadsels. Het heeft een legendarische bijklank, zoals Shangrila. Maar in werkelijkheid heeft het niets van het aardse paradijs dat Shangrila belooft. En dan heeft het toch weer iets mythisch omdat er een communistische maatschappij bestaat – die dan weer niet alleen maar communistisch of alleen maar christelijk is.''

Drijfveer

Wat zoeken Schrotts personages daar op dat eiland? ,,Ik wilde een geschiedenis van het verlangen schrijven. Verlangen is projectie. Je wilt naar iets reiken dat zich niet laat aanraken en toch probeer je het in handen te krijgen. Maar je krijgt het niet in je bezit en taal functioneert zo, liefde functioneert zo, seksualiteit leeft van die drijfveer en het verlangen naar dat eiland ook: als een voortdurende honger naar iets onverzagdigbaars. De priester spreekt gebeden in de nacht en hoopt dat God hem hoort. De marconist zendt signalen uit en hoopt dat een schip hem hoort. De postzegelverzamelaar wil de wereld in het klein volledig afbeelden en vindt niets erger dan als er nog één postzegel, één stukje van de wereld ontbreekt. En dat lijkt dan weer op het verlangen van de schrijver, die de wereld compleet tussen twee kaften wil hebben.''

Verlangen, zegt Raoul Schrott, is een poging tot zingeving. ,,Maar bij de mannen in mijn roman is de passie allang in een obsessie omgeslagen. En dan krijgt het begeren egomane, idealiserende, gewelddadige en totalitaire trekjes, omdat je er iets mee bezet. Een stuk land of een vrouw.'' Die mannen hebben wel in de gaten dat er iets mis met hen is: ,,En dan komt weer dat gevoel van schuld op, van zonde, hopeloosheid en onmacht. Als ik de mens moet beschrijven, dan gaat het om zijn begeren en om het mislukken daarvan.''

Is de ideale liefde een onmogelijkheid? ,,De liefde die wij praktizeren is een cultureel rollenspel. Het probleem is dat het onderwerp van de begeerte slechts zolang interessant is als het zich onttrekt. Dat is dan ook het domme van dat rollenspel. Want zodra je iets bezit verliest het meteen aan waarde. Om daarbij de begeerte in stand te houden, is in het dagelijks leven een van de moeilijkste, maar ook een van de mooiste dingen. Vrouwen zijn daarbij realistischer dan mannen. ,,De vrouw hoeft zichzelf niet via dingen te definiëren, via iets uiterlijks, of via succes. De vrouw is zichzelf genoeg.''

Het schrijven hield Schrott vol door te denken aan al die plekken waar hij naartoe wilde reizen als hij het boek af had. ,,Toen de klus erop zat ben ik een paar maanden in Nieuw Guinea geweest; ik wilde altijd al naar Samarkand en via Kirgizië ben ik daarheen gegaan. En ik heb op de Stille Zuidzee gezeild, met een vriend uit Nieuw Zeeland. Het fijne van op zee zijn is dat je geen literaire zinnen te binnen schieten, maar dat je opgaat in wat je doet. Zo zeilden we een passage over van achtduizend meter diep; heel steil en heel plotseling loopt de zeebodem daar naar beneden, en de golven worden daar heel anders. Die zijn niet meer zo lang en vloeiend maar die worden spits en huizenhoog. Ja, en om daar doorheen te komen, en om vis te vangen en nachtwacht te houden en naar de sterren te kijken, dat is prachtig.''

Hij zeilt eigenlijk liever dan dat hij schrijft. ,,Al moet je bij het schrijven óók door moeilijke passages heen, passages van duizelingwekkende diepte. Menselijke afgronden worden in het gewone leven ondieper gemaakt dan ze zijn. Maar als je schrijft probeer je ze juist te peilen. En de reden waarom ik schrijf is om de afgronden van mijn personages te leren begrijpen, om te proberen te snappen hoe het is om een doodgeboren kind te hebben of niet meer in God te geloven, of schuld te voelen, of machteloosheid, of jaloezie.'' Waarbij hij een zekere loutering nastreeft: ,,De priester krijgt aan het einde van de roman helderheid over zijn schuld. De postzegelverzamelaar heeft eindelijk begrepen wat zijn fout is en waarom zijn vrouw hem heeft verlaten en dat er ergens een nieuw begin is waarbij je het oude afsluit. En zelfs de cartograaf, de minst nadenkende van alledrie, is aan het eind een beetje rijper.''

Raoul Schrott grijnst zelfironisch: ,,Was er geen catharsis maar alleen maar die obsessie, dan zou ik in geestelijke masturbatie zijn blijven steken, in puberaal gedoe. De schrijver die heel even in het boek opduikt, ja, díé blijft puberaal. Maar de anderen worden toch een beetje volwassen.''

Raoul Schrott: Tristan da Cunha. Vertaald door Nelleke van Maaren, Wilfred Oranje e.a. De Bezige Bij, 718 blz. €32,50