Hoe God verdween uit Judea

Genocide stapelt zich op genocide, in de eerste bijbelboeken. Daarna krijgt een menselijke wereld vorm, en begint het boek te ontroeren. Tegen het einde van de bijbellezing verschijnt de calculerende burger.

Met de publicatie van De Nieuwe Bijbelvertaling in de Gouden Reeks van Athenaeum – Polak & van Gennep wordt de bijbel voor het eerst in Nederland uitdrukkelijk gepresenteerd als een literair meesterwerk. Dat hij daarmee op één lijn komt te staan met Dantes Goddelijke komedie, Goethes Faust, Miltons Het Paradijs verloren en Cervantes' Don Quichot zal gelovigen gemakkelijk in het verkeerde keelgat schieten. Toch is de bijbel altijd een boek geweest, dat zo heilig niet kon zijn of het bleef wel leesbaar.

Maar wat blijft er van de bijbel over wanneer hij gelezen wordt door iemand die zich aan deze heiligheid weinig gelegen laat liggen? Overtuigt hij, niet alleen als literair werk en fundament van de Europese beschaving, maar ook als boek, dat – zoals iedere klassieker – voor de lezer een bijzondere betekenis moet hebben? Wat overkomt mij, wanneer ik de bijna tweeëneenhalf duizend bladzijden zo onbevangen mogelijk op me laat inwerken?

De eerste paar honderd daarvan blijken niet bemoedigend. Dat heeft niet zoveel te maken met de figuur van God die zich in de eerste bijbelboeken als hoofdrolspeler opdringt. Met hemelingen en fantastische personages heeft de literatuur nauwelijks moeite. Hoewel Tolkien zich vrijelijk bediende van elfen, trollen, tovenaars en zelfbedachte hobbits, heeft dat In de ban van de ring allerminst onhandelbaar gemaakt. Ook de bijbelse Heer blijft aanvaardbaar in de `bewuste opschorting van het ongeloof' dat volgens Coleridge het literaire lezen nu eenmaal nodig heeft.

Afstotend in de vroege bijbelboeken is – wanneer de allereerste verhalen eenmaal gelezen zijn – de meedogenloze woestheid ervan. Genocide stapelt zich op genocide, wanneer het volk waarvan de geschiedenis wordt verteld eenmaal is aangekomen in het land van zijn bestemming. Geen man, vrouw of kind blijft gespaard in de veroverde steden, volgens een door God opgelegde oorlogslogica die geen krijgsgevangenen maakt. Menselijke mildheid stoot zelfs onverbiddelijk op goddelijke toorn, wanneer koning Saul het waagt van een der overwonnen volkeren de koning te sparen.

Het pleit voor de profeet Samuël dat hij – zo schrijft het eerste naar hem genoemde bijbelboek – de hele nacht tegen de Heer blijft schreeuwen en protesteren, wanneer die laatste hem zijn ongenoegen met Sauls clementie kenbaar maakt. Maar baten mag het niet. Gehoorzaam gaat Samuel naar koning Saul en verwijt hem zijn weerspannigheid, die prompt wijkt. Saul laat de vreemde koning halen en `hakte Agags hoofd af ten overstaan van de HEER in Gilgal'.

In deze boeken wordt een gruwelijk universum zichtbaar, gedrenkt in bloed en haat, volgens een wet die voor elk vergrijp van enige omvang slechts dood door steniging als strafmaat hanteert. De logica van de burger- en bendeoorlog dooft elk meededogen en plaatst iedere poging tot transcultureel verkeer of begrip buiten de wet. Met koppige vasthoudendheid wordt het volk voorgehouden zich niet te vermengen met andere stammen, laat staan hun gewoonten over te nemen – ook al zouden die nauwelijks wreder kunnen zijn dan welke het zelf praktiseert.

Het meest dubieus is daarbij de rol van de protagonist. God zelf zet zijn bloederige drama zorgvuldig in scène. Hij geeft niet alleen opdracht tot moord en verdelging, maar manoeuvreert de slachtoffers daarvan doelbewust in de richting van hun ondergang. Hij is het die tijdens de rampen van Egypte de farao en zijn hovelingen halsstarrig maakt, zoals hij niet zonder trots tegenover Mozes verklaart. Hij is het ook die, later in het Beloofde Land, voor het volk doelbewust een `aanleiding' zoekt voor strijd met de Filistijnen in wat alleen maar een geprovoceerde veroveringsoorlog mag heten.

Toch komt in sommige episoden reeds een verrassende menselijkheid naar voren, al uit die zich vooralsnog eerder in persoonlijke hebbelijkheden dan in geestelijke grootheid. De wijze waarop Jakob zijn broer Esau het eerstgeboorterecht ontfutselt, levert een prachtig portret van menselijke laagheid op, maar net als bij Abrahams ontzetting over zijn plicht zijn eigen zoon te offeren, staat dat alles nog in het overheersende licht van het goddelijk plan. Daarbinnen verbleekt het onderscheid tussen deugd en ondeugd tot een simpel `ja' of `nee' tegen een ondoorgrondelijke godswil. Hij beheerst het toneel; de mensenhistorie is zijn schaakspel en het gemoed van zijn schepselen is alleen daarbinnen van belang.

Ontroeren doen deze verhalen dan ook maar zelden en als ze het doen is dat bijna toevallig. Het `ik' van de personages doet er even weinig toe als dat van de lezer, zolang het goddelijk gebod maar wordt aanvaard. Maar gaandeweg verandert dat. Het is opnieuw in het eerste boek van Samuël wanneer de vriendschap tussen David en Jonatan plotseling het midden gaat houden tussen jongensboek en romance, inclusief de daarbij horende tederheid: `Ze kusten elkaar terwijl hun tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande en zei: ,,Vaarwel...''.'

Dat is geen afscheid tussen goddelijke pionnen meer, maar een menselijk drama dat ontroert. Ook David zal in opdracht van zijn Heer nog de gruwelijkheden van de roverhoofdman en zelfs de dienaar Gods begaan, maar zijn klaagzang over Jonatans dood laat zich op zijn beurt nauwelijks met droge ogen lezen: `Het verdriet verstikt me, Jonatan,/ je was mijn broeder, en mijn beste vriend./ Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.'

Het is alsof de wereld van de bijbel langzaam geciviliseerd raakt en net als in de hoofse poëzie van de late Middeleeuwen is de verschijning van de vrouw de indicatie daarvan. David gaf minstens zozeer om de liefde van vrouwen dat ze de maat konden zijn voor die tot zijn vriend, en die liefde is iets nieuws. Zo'n vijfhonderd bladzijden lang vind je er in de bijbel vrijwel niets over, naast de vanzelfsprekendheid waarmee vrouwen de bemiddelende schakel vormden tussen de man en zijn nageslacht. De echtgenote, of anders wel haar slavin, had daarvoor te zorgen, zonder veel aanzien des persoons en zelfs zonder veel bekommernis om de middelen. Bewonderenswaardig is ze niet, maar desnoods kan zelfs verkrachting nog wel een aanvaardbare opstap tot een huwelijk zijn.

Geen vrouwenminnaar groter dan Davids zoon Salomo, wiens hof door de bijbel met een onvervalst oriëntalisme wordt beschreven. Hij is het die de legendarische koningin van Seba voor zich inneemt als de hoofse wijze in wie ze `zijn kleding en de goede manieren van zijn bedienden' bewondert, `de dranken die werden geschonken' en – ook dat natuurlijk – `de offers die hij opdroeg in de tempel van de HEER.' Toch is die laatste al niet meer de allesoverheersende figuur naar wiens pijpen ieder danst. Integendeel, Salomo trouwt niet alleen de dochter van de farao, maar wordt door alle andere vreemde vrouwen die hij naast haar bemint (wel duizend) weggetrokken van de God van Israël.

Boos is die laatste daarom zeker, maar de kracht van zijn woede staat niet meer in verhouding tot de verschrikking die daarvan eerder was uitgegaan. Moeilijkheden krijgt Salomo wel, maar hij blijft in de bijbel de meest luisterrijke koning die het land ooit heeft gekend. De meest wijze koning bovendien, die – ondanks zijn afvalligheid – met zijn Spreuken recht krijgt op een eigen bijbelboek.

Gaandeweg maakt God op het bijbeltoneel plaats voor de mens, die in de persoon van koning Hizkia voor het eerst op een nieuwe manier `ik' gaat zeggen: niet dienstbaar, bevelend of biddend, maar peinzend en onzeker: `Ik dacht: In de bloei van mijn leven moet ik gaan,/ de tijd die mij rest verblijf ik in het dodenrijk./ Ik dacht: Ik zal de HEER niet meer zien...' Is het daarom dat, een bladzijde verder in dit boek Jesaja, de woorden van de profeet mij – voor het eerst in de hele bijbel – werkelijk raken: `Troost, troost mijn volk, zegt jullie God./ Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend/ dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan...'?

Voor het eerst ook wordt de vreugde die de profeet weer een bladzijde later uitspreekt, herkenbaar en aanstekelijk: `Ziehier God, de HEER! [...]/ Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit./ Als een herder weidt hij zijn kudde:/ zijn arm brengt de lammeren bijeen,/ hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.' Overtuigend zijn die woorden niet omdat ze leiden tot een simpel soort godsgeloof. Eerder omgekeerd is het: ze maken wat ooit het godsgeloof was tot een geloof in de wereld waarin ooien zorgzaam gekoesterd worden.

Misschien is dat geloof eerder een hoop, die zich maar al te zeer bewust is van haar eigen twijfel. De psalmist die David heette te zijn was misschien nog onvoorwaardelijk overtuigd van wat hij schreef. Maar wie leest vandaag de dag in die liederen die kleine drama's zijn, niet vooral de beklemming die ze uitspreken, voordat ze – te gehaast voor ons – hun toevlucht nemen tot het godsvertrouwen? `Als water ben ik uitgegoten,/ mijn gebeente valt uiteen,/ mijn hart is als was,/ het smelt in mijn lijf./ Mijn kracht is droog als een potscherf,/ mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,/ u legt mij neer in het stof van de dood.'

Met de verandering van voornaamwoorden is niet alleen de literaire scène maar ook de werkelijkheid veranderd. Vanaf het moment waarop het mensen zijn die in de bijbel `ik' zeggen, verschuift het gewicht naar hen, krijgen ze diepte en worden ze herkenbaar. Met de psalmist identificeren we ons, zoals we ons kunnen identificeren met Pascal en diens beklemming voor het koude universum. Met Abraham en zelfs Jakob lukt dat nog niet goed, verdrukt als ze werden door het gewicht van de Allerhoogste.

Naarmate die laatste wegwijkt in de coulissen, krijgt een menselijke wereld vorm. De vreugde die Jesaja aankondigt, heeft in het Hooglied zelfs de naam van God niet meer nodig om het uit te jubelen: `Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,/ naar zijn balsemtuin beneden./ Daar wil hij weiden,/ daar wil hij lelies plukken./ Ik ben van mijn lief,/ en mijn lief is van mij./ Hij weidt tussen de lelies.' Geen Hemelbestierder komt daar meer aan te pas, hoezeer geschokte bijbelgeleerden ook hebben aangedrongen op een allegorische lezing van deze erotische vreugde, alsof ze slechts de liefde van de kerk tot haar Heer zou betreffen.

In werkelijkheid lijkt het wel of God stilletjes uit de bijbel wegsluipt. Prediker, de gedesillusioneerde en daarom zo moderne tegenhanger van het Hooglied, noemt hem nog, maar het doet allemaal nauwelijks meer terzake. Boeken zijn er al te veel geschreven en wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. Dus `Geniet van het leven met de vrouw die God je heeft gegeven [...] Doe wat je hand te doen vindt. Doe het met volle inzet, want er zijn geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid in het dodenrijk. Daar ben je altijd naar op weg.'

Het is de klacht van een oudgeworden cultuur aan gene zijde van de Grote Verhalen. Misschien is Prediker daarom zo herkenbaar, inclusief zijn laconieke verhouding tegenover God over wie het niet eens de moeite waard is te discussiëren. Hij belichaamt de cynische prudentie van de calculerende burger, bij wie zelfs de vraag of er `iets' is matte vermoeidheid oproept. Plotseling komt deze schrijver mij, aan het eind van mijn bijbellezing gekomen, nabij en wordt hij mij ongekend sympathiek.

Voor het christendom was het daarmee niet afgelopen. Er kwam een uitgebreide appendix op de gang van het Oude Testament: van een hiëratische God naar een reeks verrassend moderne boeken waarin zijn naam soms niet eens meer klinkt. Het Nieuwe Testament komt daarna als een plotselinge terugval. Het opent in Mattheüs met een geslachtslijst van het soort dat de eerste bijbelboeken bijwijlen zo onleesbaar maakte. Met opzet: Jezus Christus, de nieuwe protagonist, wordt stevig geworteld in het huis van David.

En ook verder lijkt alles bij het oude. De lukrake compositie die ook de vroegste boeken van het Oude Testament teistert, de aaneenschakeling van anekdotes en het nogal primitieve middel van het wonderverhaal werpen de eerste evangelies literair ver terug achter het vernuft en de verfijning van de slotboeken daarvan. Onverwacht lijkt de beschavingsgeschiedenis die zich daarin – aan vorm en inhoud tegelijk – laat aflezen, weer helemaal opnieuw te moeten beginnen. In wat een mensenwereld was geworden staat God weer midden op het toneel.

Maar is dat wel waar? Verborgen blijft in het Nieuwe Testament ook het godspersonage. Er wordt naar hem verwezen als `Vader' en er wordt gesproken over het komende koninkrijk, maar zelden anders dan in parabels die spreken over onze houding en verwachting. Concreet wordt het Nieuwe Testament wel, maar dan in de uitleg van de wet, tot de illusieloze vervulling waarvan Prediker nog had opgeroepen. Nu krijgt zelfs die wet een menselijk criterium. `Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten', laat Mattheüs Jezus zeggen.

Uit diens zaligsprekingen klinkt het omgekeerde van de meedogenloze clan-raison waarmee de bijbel opende. Het proces van vermenselijking dat in het Oude Testament al was voltrokken, wordt er opnieuw in opgenomen. De proclamatie `Gelukkig wie nederig van hart zijn' rijmt niet alleen op Jesaja's vreugde, maar roept vooral de redeloze hoop op die zich ook bij hem al liet voelen. Zo redeloos misschien dat hij zich zelfs niet laat storen door het hoogstens bij benadering begrepen vervolg: `want voor hen is het koninkrijk van de hemel'.

De literatuurlezer in mij kent het koninkrijk van de hemel alleen als fictie en de filosoof zou dat graag zo houden. Maar de jubel die daaruit losslaat is niet minder echt dan de vreugde om de schoonheid van de literatuur, die tenslotte ook werkelijkheid in fictie is. Tegelijk is ze een vorm van opluchting over de uitkomst van het schrikwekkende bijbelavontuur, dat letterlijk de wordingsgeschiedenis van de beschaving is. Terreur was er, God was er. En langzaam week hij voor de mens – of werd mens, volgens het Nieuwe Testament zegt dat we voor één keer niet letterlijk genoeg kunnen nemen.

Daar moeten we het mee doen, maar dat is voldoende. Wat tweeduizend jaar na dato gebleven is, zijn het boek, wij die het lezen – en de lelies voor mijn lief.