Geld instellingen

De kern van het nieuwe bekostigingsstelsel van het hoger onderwijs is dat het overheidsgeld de student `volgt'. Studenten ontvangen zogeheten leerrechten: een persoonsgebonden recht op publiek onderwijs. Het hieraan verbonden studietegoed kunnen ze te gelde maken bij de instelling waar ze onderwijs volgen. Elk jaar opnieuw kiezen ze waar ze het volgende jaar hun tegoed willen besteden en welke instelling van hun geld zal profiteren. De leerrechten:

geven recht op één bachelor- en één masteropleiding (respectievelijk drie jaar en één of twee jaar),

worden opgenomen in jaarlijkse termijnen,

kunnen met een onderbreking worden opgenomen.

De rijksbijdrage wordt voortaan bepaald door twee factoren:

het aantal ingeschreven studenten in een bepaald jaar (aantal moet op 1 september van voorafgaande jaar duidelijk zijn)

de diplomaopslag: de onderwijsinstelling waar de student zijn diploma haalt ontvangt een extra bonus van 25 procent van het studietegoed dat die student daar heeft besteed (anders gezegd: het aantal jaren dat een student daar heeft gestudeerd). Deze bonus is bedoeld om hogescholen en universiteiten te stimuleren om studenten af te laten studeren.