Een liberaal die kon denken

Thorbecke staat bekend als de vader van de grondwet van 1848, maar wat waren eigenlijk zijn filosofische opvattingen? Een proefschrift legt de liberale staatsman op de wijsgerige pijnbank.

Thorbecke was een ware muziekliefhebber. Daarom kan het karakter van de tot dusver verschenen biografische studies over hem worden beschreven in termen van de onvoltooide symfonie. I.J. Brugmans schreef een politiek levensverhaal, J.B. Manger analyseerde zijn geschiedkundige opvatting, J.C. Boogman belichtte hem in de totaliteit van de politieke omwenteling van 1848, in de studie van W.Verkade komt vooral de Oost-Nederlandse dimensie van zijn politieke opvattingen aan de orde. De rechtsgeleerde C.W. de Vries schreef over een `ongekende Thorbecke' en N.C.F. van Sas plaatst hem in het brede perspectief van een politieke omwenteling in Nederland tussen 1748 en 1848.

Nu verschijnt de staatsman Thorbecke in een wijsgerige belichting. Na de historicus E.H. Kossmann, die in opstellen zijn politieke en historische filosofie heeft geanalyseerd, is het de historicus en filosoof Jan Drentje die een dissertatie heeft geschreven over `een filosoof in de politiek'. Hij heeft vierhonderd bladzijden nodig voor Thorbeckes verkenningstocht langs de Duitse universiteiten en de bekroning daarvan in professoraten in Gent en Leiden. Ruim tweehonderd pagina's gaan over de periode na 1848: de minister en wetgever.

Ook Drentje komt vanuit zijn filosofische invalshoek tot een fascinerend allegro en een mooi gedragen andante. Maar tegen de tijd van het derde symfonische deel, het scherzo, haakt hij af de hoofdfiguur zelf is dan ook in zijn gevoelens niet openbaar en in de finale komt hij niet verder dan wat schetsen. Thorbecke is in zijn intellectuele ontwikkeling tijdens de eerste halve eeuw van zijn leven indringend gevolgd en geanalyseerd. Maar er is nog een derde kwart, dat juist aan het Nederlands bestuur niet ongemerkt voorbij is gegaan. Dan is de filosofie niet te isoleren uit de rest van zijn leven; sterker nog, het bestuurlijke neemt de overhand op het intellectuele.

De auteur is leraar te Zwolle. En in een Zwolse context heeft hij zoveel gegevens over zijn jeugd opgediept, dat de hedendaagse lezer verrast kan worden door een ongewoon perspectief op Thorbecke: telg van een (Duitse) immigrantenfamilie. Zijn grootvader en vader hadden vanuit de Westfaalse stad Osnabrück een tabakshandel in Zwolle gesticht, die echter niet succesvol was en de familie in financiële problemen bracht. Men was er naar Duitse zeden luthers en dus niet gereformeerd; daardoor was men tot op zekere hoogte ook buitengesloten van de verdeling van gunsten en aanzienlijke ambten. De moeder van Johan Rudolf sprak vooral Duits en heeft nooit in Zwolle kunnen aarden.

Dit sociale isolement heeft twee gevolgen gehad. De eerste is een zekere vastberadenheid om posities toch vooral op eigen kracht te bereiken. De zoon heeft met behulp van een lutherse predikant in Amsterdam kunnen studeren. Na een succesvolle promotie in Leiden (over een onderwerp uit de klassieke wijsbegeerte) was een ambitieuze vader degene die er alles aan deed om hem naar de universiteit in Göttingen te laten gaan. Toen zijn vader voor de zoveelste keer gepasseerd was voor een betrekking, nam de student zich voor `van menschengunst niets te verlangen en te ontvangen. Wat ik worde, wil ik door mijzelve worden'.

De tweede consequentie was, dat Thorbecke door zijn jeugdervaring en als lutherse dissenter zich met enig gemak langs de zijlijn van de Nederlandse samenleving kon bewegen. Zijn liberale houding tegenover het Vaticaanse herstel van de katholieke bisdommen in 1853 en zijn geleidelijke verwijdering ten opzichte van de calvinist Groen van Prinsterer zijn niet te verklaren zonder rekening te houden met zijn verleden. Daar staat tegenover, dat hij, wanneer hij in Duitsland weer eens Nederlands kon spreken, maar al te goed besefte, `welk vermogen vaderlandsliefde op het gemoed' kon uitoefenen.

Pantheïstisch

Thorbeckes eerste reis naar Duitsland (1820-1822) was een tocht langs de universiteitssteden. Een zoektocht, tijdens welke hij de Duitse idealistische wijsbegeerte werd ingezogen: vooral die van Kant en Schelling maar bijvoorbeeld ook Schleiermacher, die zeer bepalend lijkt voor zijn verinnerlijkt godsdienstig gemoed dat overbleef na een atheïstische periode. Schelling leerde hij persoonlijk kennen in Erlangen en van hem kwam de inspiratie tot een pantheïstische interpretatie van de werkelijkheid en tot het lezen van Spinoza. De tweede reis (1822-1824) werd ondernomen naar aanleiding van een benoeming tot privaat docent in de wijsbegeerte van de geschiedenis aan de universiteit in Giessen. Dat werd een mislukking. Vervolgens verbleef hij langere tijd in Göttingen en in Berlijn, waar hij probeerde een benoeming als hoogleraar te krijgen.

Behalve filosofie boeit hem in Duitsland ook de muziek, die hij in zijn Sturm und Drang intens beleeft. Dat geldt ook voor zijn erotische gevoelens, in de eerste plaats voor enkele echtgenotes van hoogleraren onder wier patronage hij kan werken. Telkens neemt hij op den duur weer afstand van hen. Pas op 38-jarige leeftijd huwt hij tenslotte Adelheid, de dochter van de jong overleden Berlijnse filosoof Solger.

`Verwisselt gij de echte Bataafsche fierheid niet met eene onbeperkte geestdrift voor de zelfsontwikkeling?' schreef een vriend aan Thorbecke. Hij was zo Duits georiënteerd, dat zijn benoeming in Leiden als hoogleraar wijsbegeerte twijfelachtig was geworden. Men vreest een pantheïstisch ingestelde hoogleraar die botst met de `geopenbaarde waarheid' van de heersende godsdienst. Het liefst schreef Thorbecke iets over Spinoza, maar `dit zoude heden mij het vaderland sluiten'. Dat wordt bewaarheid in Utrecht, waar men uit vrees voor een Duits pantheïsme Thorbecke de leerstoel wijsbegeerte niet gunt.

In 1825 wordt hij eindelijk benoemd, als buitengewoon hoogleraar aan de door koning Willem I gestichte universiteit in Gent. Hij geeft er colleges in de Europese staatsvorming vanaf de Middeleeuwen en legt daarbij het accent meer op het geheel dan op de individuen. Niemand was in de geschiedenis zijn eigen meester, luidde het in zijn oratie. Thorbecke's perspectief was toen nog Groot-Nederlands. Het verenigd Koninkrijk was de hoeksteen in Noord-West-Europa en een garantie tegen het Franse expansionisme. De Belgische liberalen vond hij in vervoering gebracht door een wilde Frans-Jacobijnse geest. Maar van de conservatieve Groen van Prinsterer onderscheidde hem weer de opvatting, dat weliswaar de uitwassen van de Franse revolutie moesten worden voorkomen maar de tendens van maatschappelijke en politieke vrijheid moest worden begroet.

Daar is Thorbeckes opvatting over de vrijheid van onderwijs gevormd, die zo bepalend is geweest voor de grondwet van 1848. Een school die volledig in handen van de staat zou zijn, leek hem een voorbeeld van despotisme dat Napoleon in Frankrijk alleen op de puinhopen van de Revolutie had kunnen doorvoeren. Thorbeckes organische visie bracht hem ertoe het accent te leggen op de staat die eisen van bekwaamheid mocht stellen en toezicht mocht uitoefenen; de staat mocht zo nodig eigen scholen in het leven roepen, maar het onderwijs niet monopoliseren.

In 1831 keert de verloren zoon alsnog naar Leiden terug. Hij wordt er, opnieuw niet zonder moeite, bijzonder hoogleraar aan de rechtenfaculteit en doceert er staatswetenschappen. Hier ontstaat ook zijn Proeve van een nieuwe grondwet. De leeropdracht in Leiden is de weg naar de wetgever Thorbecke, wiens concepten over de bestuurlijke inrichting van Nederland, gevormd in een mengeling van juridische theorie en historische kennis, zo sterk en ook zo langdurig de staatsvorm hebben bepaald.

Conservatief

De studie over Thorbecke wordt schetsmatig, wanneer vanaf 1849 zijn ministeriële loopbaan aan de orde is. Dan verliest de filosofie aan kracht en Drentje kennelijk aan adem. In de Kamer komt het dan ook aan op het politieke ambacht. Zo wordt om één voorbeeld te noemen ook hier niet echt geanalyseerd, waarom niet de wetgever Thorbecke maar de even liberale minister Donker Curtius degene was die in staat bleek een conservatief parlement bij meerderheid van stemmen een revolutionaire grondwet te laten aannemen. Dat ambachtelijke kunststuk wordt achtergesteld bij de constitutionele ideeën.

Maar aan het eind van zijn boek, wanneer hij beschrijft hoe de 71-jarige Thorbecke in het Duitse Ilmenau, het kuuroord van Goethe, zijn Narede formuleert, dat zijn politieke slotbeschouwing zal worden, vindt de auteur een echte intellectuele uitdaging terug. Dan is hij geconfronteerd met het Jonge Holland, een nieuwe generatie van liberalen die algemeen kiesrecht wensten, en met het nieuwe collectivisme van massale, op emancipatie gerichte bewegingen; de anti-revolutionairen en de arbeidersbeweging dienen zich aan.

Thorbecke beantwoordde deze nieuwe verschijnselen met een herhaling van zijn beginselen van het staatsbestuur en de constitutionele monarchie, maar hij is er tevens door zijn organische geschiedopvatting van overtuigd dat andere vormen van het geheel, zoals het republikanisme of de ontwikkeling van een op individualiteit gebaseerde samenleving, zich in de toekomst kunnen voordoen. Hij was toen ook oud genoeg om een ander hoofdthema de vrees voor Franse expansie vervangen te zien door de dreiging van de Duitse eenwording.

Thorbecke is in Drentjes dissertatie zeker filosoof maar nog meer een intellectueel met een consistent en zo nu en dan verrassend commentaar op zijn politieke werkelijkheid. Ook Thorbeckes ministersambt wordt vooral in filosofische termen geschetst. Machtspolitiek is een van de omissies bij deze auteur. Zijn wijsgerige kennis kan hij echter breed en overtuigend etaleren. Maar dat maakt een echte biografie nog steeds niet overbodig.

Jan Drentje: Thorbecke. Een filosoof in de politiek. Boom, 671 blz. €35,–