Een bekwame knoeier

Er komt veel bij kijken om een vals zeventiende-eeuws topschilderij te maken dat door een kenner voor echt wordt gehouden. Men moet over doek uit die tijd beschikken, over authentieke pigmenten, over chemicaliën om olieverf te verharden, over kennis om eeuwenoud craquelé te imiteren, over een vaste hand om de signatuur in één keer neer te zetten – en als dat alles is uitgemond in een net echte Vermeer of Pieter de Hooch dan dienen de juiste, goedgelovige tussenpersonen te worden ingeschakeld om zo'n doek te slijten aan de juiste, goedgelovige collectioneur die over het juiste vermogen beschikt.

Lees het net verschenen Han van Meegeren, Meestervervalser door Frederik H. Kreuger, en alsnog wekken kennis, werkwijze en vasthoudendheid van 's lands grootste vervalser bewondering. Een bekwame knoeier, aan wie meer naoorlogse studies zijn gewijd dan aan menige échte kunstenaar. Alsof het aureool van held, dat menigeen hem tijdens het strafproces in 1947 verschafte – de ijverige vakman die de dure jongens te grazen nam – nog steeds aan hem kleeft.

In tegenstelling tot Harry van Wijnen, die in zijn recent verschenen biografie over havenbaron en kunstverzamelaar D.G. van Beuningen ook uitgebreid ingaat op diens fatale aankopen van de Van Meegerens, heeft Kreuger kunnen putten uit de nooit gepubliceerde biografie over Van Meegerens zoon Jacques, geschreven door diens echtgenote Juliette. Ook Jacques was een schilder, maar géén knoeier, en Juliette noteerde wat haar zoal ter ore kwam. Kreuger sprak ook met familieleden.

De biograaf reconstrueert het flamboyante leven van Van Meegeren: vrouwen, feesten en feërieke Franse villa's. Steeds was de oplichter de juiste mensen tegengekomen: als scholier al de vader van een vriendje die hem enthousiast wegwijs maakte in zeventiende-eeuwse schilderstechnieken, zoals het wrijven van verf, en later Theo van Wijngaarden, een Haagse restaurateur die alles wist over het `verbeteren' en `signeren' van bestaande schilderijen.

Onduidelijk is nog steeds hoeveel `verbeterd' doek dit duo met name in Londen wist te slijten. Er waren bezoeken die dertigduizend gulden opbrachten, een vermogen in het begin van de vorige eeuw. Maar de verkopen aan Van Beuningen (400.000 gulden voor een Christuskop) sloegen alles. Tot zijn dood bleef de verzamelaar hardvochtig in de echtheid van zijn `Vermeers' geloven – onder meer de Emmaüsgangers en Het Laatste Avondmaal II –, ook nadat Van Meegeren zijn vervalsingstechnieken voor de rechtbank had opgebiecht.

Kreuger draagt genoeg materiaal aan om de lezer zelf het beeld te laten creëren van een rancuneus, opportunistisch, onevenwichtig, sluw en achterbaks heerschap, karaktertrekken die schuilgingen achter een masker van charme, conservatieve smaak en welbespraaktheid. Dom was de bon-vivant Van Meegeren niet, maar zijn woede over de miskenning die de kunstwereld hem bezorgd had, overtrof verre het zelfinzicht van middelmatigheid en het gebrek aan originaliteit dat hem als kunstenaar kenmerkte.

Het helder geschreven boekje, met pikante details over vervalsingstechnieken en verkooptrucs, maar met weinig kunsthistorische aanknopingspunten, is adequaat geïllustreerd, ook met de genrestukjes, nachtleven-taferelen en portretten waar de muizerig ogende Van Meegeren vooral in Den Haag naam mee maakte. Irritant blijven de min of meer fictieve dialoogjes, maar in het kielzog van de doorwrochte biografie over Van Beuningen is het een nuttig `wie-was-die-man-ook-alweer'-boekje over `het baasje', zoals Haagse freules hem liefkozend noemden, dat de reputatie van kunstkenners en -liefhebbers verpulverde.

Frederik H. Kreuger: Han van Meegeren, Meestervervalser. Veen Magazines, 190 blz. €29,95