De stenen spreken

De Italiaanse kunstenaar Giovanni Anselmo maakt onmetelijke natuurverschijnselen voelbaar. Zwaarte en lichtheid komen in zijn beelden samen.

Eigenlijk doet Giovanni Anselmo (Borgofranco d'Ivrea, Italië, 1934) niets anders dan wijzen. Hij wijst naar naar de heuvels, de zee, en verder nog, oltre mare, naar de overkant van de zee. Hij wijst ook naar de dingen dichtbij: de muur, de plint, en hij wijst naar ons, de beschouwers. Anselmo wil dat zijn kunst net zo echt is als de dingen in de wereld. Hij vindt het ,,ongelofelijk om op deze aarde te zijn, er rond te lopen en te kijken. [...] De wereld, de dingen, het leven en ikzelf zijn bronnen van energie. Het gaat erom ze niet uit te kristalliseren, maar ze open en levend te houden.''

Bij het ochtendgloren van 16 augustus 1965 beklom Anselmo de vulkaan op het eiland Stromboli. Op de top aangekomen zag hij hoe de opkomende zon zijn schaduw niet op de grond projecteerde, maar onzichtbaar in de ruimte, in de oneindigheid. Gedurende een moment van pure epifanie voelde Anselmo dat hij van de oneindigheid deel uitmaakte. Hij fotografeerde zichzelf daar op de top, en zo ontstond het werk La mia ombra verso l'infinito dalla cima dello Stromboli durante l'alba del 16 agosto 1965 (Mijn schaduw op het oneindige van de top van de Stromboli bij de zonsopgang van 16 augustus 1965). Anselmo beschouwt deze foto als zijn eerste werk. Sindsdien is het zijn doel om, zoals hij zegt, de immateriële energieën in de natuur ervaarbaar en zichtbaar te maken.

Anselmo is een vertegenwoordiger van de Arte Povera-beweging, waartoe onder anderen ook Luciano Fabro, Mario Merz en Giuseppe Penone behoren. Arte Povera kenmerkt zich door een poëtische, mythische benadering van de wereld en door het gebruik van `armzalige' materialen, zoals takken en neonbuizen (bij Merz) en watten, ijzer en stenen (bij Anselmo). Anselmo heeft op zorgvuldige wijze een oeuvre opgebouwd dat een sterke samenhang heeft. Bepaalde elementen keren er steeds in terug, telkens op een nieuwe manier, al naar gelang de context van de tentoonstelling. Hij hergebruikt zijn concepten bijna als een soort readymades.

In Kleef is nu een overzicht van 22 werken te zien. De tentoonstelling is door de kunstenaar ingericht en heeft het karakter van een installatie, in de zin dat alle werken op elkaar en op de museumzalen betrokken zijn en zodoende een sculpturaal geheel vormen. Op deze tentoonstelling staat een nieuw werk centraal, dat uit 42 blokken graniet (ieder van ca. 60 x 80 x 25 cm) bestaat en uit diverse elementen uit eerdere werken. Het is getiteld Waar de sterren een handspan nader komen.

Neergestrooid

De blokken graniet liggen verspreid door de zalen, alsof ze er zijn neergestrooid. De installatie zet zich dus dwars door alle muren heen voort. Iedere steen is ongeveer een handspan, ca. 25 cm. hoog. Wie op een steen stapt is een handspan dichter bij de sterren. Een kinderlijk eenvoudig idee, maar het werkt, je wordt opgeheven, de macht van de verbeelding is groot. Anselmo richt onze aandacht op het elders, op het firmament. Het elders is hier ook op een andere manier aanwezig, in de vorm van een baan ultramarijn op de muur, het magische blauw dat van ver, van oltre mare komt.

Aan de muur tegenover de blauwe baan hangt een groot vel papier met daarop een perspectivisch perfecte, zeer gedetailleerde potloodtekening van een hand. De hand wijst naar de granietblokken, het is een goddelijke hand die een kosmisch panorama aanduidt. Deze hand is ons vertrouwd uit de geschiedenis van de schilderkunst. In schilderijen wijst hij naar het tafereel dat we moeten aanschouwen, naar het wonder. Tegelijk is deze hand de hand van de kunstenaar, die sinds de Romantiek goddelijke, want creatieve, eigenschappen heeft. Ook de handspan die de dikte van de steen heeft bepaald is de hand van de kunstenaar, met de spanbreedte van zijn hand meet hij van oudsher de dimensies van de voorstelling binnen het schilderij.

Alleen, Anselmo maakt geen voorstelling binnen een schilderij. Hij doet precies het tegenovergestelde: de hand wijst naar buiten, van het vel papier af, de echte ruimte in. De hand toont ons geen illusionistische wereld, maar de tastbare wereld, het hier en nu. Anselmo keert het aloude idee van het schilderij als venster op een schijn-werkelijkheid binnenstebuiten. Zijn hand, als bewijs van authenticiteit, van uniciteit, als bewijs van genialiteit (de `toets', de `geste') is in het werk afwezig. De steenblokken zijn direct uit de groeve afkomstig, de boorgaten zitten nog in de randen. Iedereen kan de blauwe baan op de muur aanbrengen.

Dit is het mooie van beeldende kunst: één ding, in dit geval de tekening van een hand, kan al deze verschillende dingen tegelijkertijd, op één moment, zijn.

De schilderkunst is een vast gegeven in het werk van Anselmo. Naast de tekening van de hand hangt, hoog aan de muur, een reusachtige platte steen van meer dan zeshonderd kilo (ca 120 x 240 x 10 cm), aan een stalen kabel met een platte knoop. De knoop trekt zichzelf strak en de steen helt voorover. Dit werk, van donkerrode Chinese porfier, is getiteld Terwijl de kleur de steen opheft. Anselmo suggereert dat de steen, door hem zo hoog te hangen, een fractie loskomt van de zwaartekracht, en dat de kleur, visueel, de steen draagt. Kleur als energie.

Materialisering

In de schilderkunst van Anselmo zijn alle elementen echt en letterlijk. Zoals hij zegt: ,,Mijn werken zijn de letterlijke materialisering van een handeling, of van de energie van een situatie of van een gebeurtenis.'' Zo komt hij op een intuïtieve manier, spelenderwijs lijkt wel het maar heel precies, tot een analyse van de eigenschappen van de schilderkunst. Kleur is materie. Kleurpigmenten waren ooit fijngemalen mineralen, ultramarijn is vervaardigd van lapis lazuli.

In 1990 toonde Anselmo op de Biennale van Venetië vier plakken graniet die met een stalen kabel in een lus zijn opgehangen aan vier opgespannen, geprepareerde linnen doeken (ze zijn nu in Kleef te zien). Hij ontving voor dit werk de Gouden Leeuw voor de schilderkunst. De platen zijn alle vier verschillend: een heeft grijze groeven met witte golfjes, een ander lijkt op groen stromend water. Ze hangen zwaar en schots en scheef. Het doek als drager van kleur: dit is wat je noemt het dramatiseren van het linnen. Het schilderkunstig materiaal dat gedurende eeuwen in eindeloze hoeveelheden op doeken is aangebracht wordt hier fysiek ervaarbaar.

Verso oltremare (1984) is een opstaande driehoekige platte steen van meer dan drie meter hoog die, met een kabel vastgemaakt aan de muur, zwaar voorover helt, hij neigt met zijn punt naar een rechthoek van ultramarijn op de muur erboven. De steen neigt, rekt zich, verlangt naar het onbereikbare. Het ultramarijn is voor Anselmo, zegt hij, als een kompas.

Een grotere tegenstelling dan tussen het gewicht van adem en graniet is moeilijk denkbaar. Een spons `ademt' doordat hij ingeklemd zit tussen twee ijzeren stangen die door verschillen in vocht en temperatuur uitzetten en inkrimpen (Respiro, 1969). De hele schepping ademt, en wie naar dit werk kijkt, begrijpt dat. Zwaarte en lichtheid, oneindig ver en heel dichtbij, komen samen in het werk van Anselmo.

Met de meest eenvoudige, compacte handelingen maakt deze kunstenaar de onmetelijke verschijnselen in de natuur zichtbaar of voelbaar. De taal is daarbij een belangrijk instrument. In 1969 maakte hij een kleine tekening van 25 x 25 cm getiteld Particolare di infinito (Detail van oneindigheid). Grijze arceringen bedekken het hele blad. Het vlak geeft op een schaal 1:1 een deel van de letter I van het woord Infinito weer. Anselmo ziet het woord voor zich als oneindig uitvergroot. De tekening is dus een miniem fragment van een immense oneindigheid die nooit in zijn geheel kan worden aanschouwd.

Door bepaalde dingen als `particolare', detail, aan te wijzen, maakt Anselmo de beschouwer bewust van het grotere geheel. In de tentoonstelling staan overal diaprojectoren die op allerlei plekken van het gebouw, en ook op de passerende bezoeker, het woord `particolare' projecteren. Zo richt hij steeds de aandacht op het kosmische bouwsel daarbuiten. Hetzelfde geldt voor zijn sculpturen. In tegenstelling tot klassieke beelden van steen en brons, die de aandacht op zichzelf concentreren, worden de stenen van Anselmo van hun gewicht verlost, ze wijzen van zichzelf vandaan, naar een verte.

Het werk van Anselmo lijkt rationeel, geconstrueerd, `anoniem', maar is ruim, gevoelig, poëtisch. Grotere lichtheid en vrijheid dan hier kom je in de kunst niet tegen. Een atelier heeft deze kunstenaar niet nodig, zijn werk heeft het atelier verlaten, is eraan ontsnapt, het krijgt zijn vorm in galerie of museum. Op de tentoonstelling worden de richtingen herbepaald, van aarde, sterren, zee, heuvels. Het kompas, in een berg aarde uit Kleef, is de oriëntatie. (Het is absoluut onvergeeflijk dat de museummensen om de aarde heen het bordje `Nicht Berühren' hebben geplaatst.) Anselmo maakt niet, vervaardigt niet, hij is geen uitvinder. Hij ont-dekt, toont wat er al is, wijst. Hij brengt niet de stenen tot spreken, want die spreken ook zonder hem wel. Hij maakt voor ons hoorbaar wat ze zeggen. Hij toont ons de bezieling van de natuur.

Giovanni Anselmo. T/m 9 jan in Museum Kurhaus, Kleef. Di t/m zo 11-17u. Gesloten 24, 25 en 31 dec, en 1 jan.