De Engelsen leren toveren

`Engeland heeft de Engelse magie vormgegeven, zoals Engeland vorm heeft gekregen door magie. De twee gaan samen. Je kunt ze niet scheiden', zegt Jonathan Strange in Susanna Clarkes omvangrijke, driedelige debuut Jonathan Strange & Mr Norrell. Strange heeft gelijk. Sinds Harry Potter verscheen is Engeland in de ban van magische avonturenverhalen waarin wonderbaarlijke toverij de gewoonste gang van zaken is. Fantasy-auteurs als Philip Pullman en Neil Gaiman worden geprezen door lezers en critici en Tolkien beleeft een tweede jeugd.

Ook het boek van Clarke is een bestseller, geplaatst op de longlist van de Booker Prize, door Charles Palliser (auteur van The Quincunx) geroemd als `formidabele prestatie' en door de tabloid New York Post als `pure magie'. Is dat terecht? Clarke voert je mee naar Engeland dat aan de vooravond staat van de laatste Napoleontische oorlogen, die het tijdperk van het machtige Britse imperium zouden inluiden. Het is 1806, de krankzinnige Koning George III regeert het land en de duke of Wellington het slagveld.

Schaamteloos maar geloofwaardig overschrijdt Clarke de grenzen van deze historische werkelijkheid wanneer ze de beoefening van magie, die weliswaar wetenschappelijke belangstelling genoot maar niet meer werd gepraktiseerd, laat `terugkeren' in Engeland. Mr Norrell, een chagrijnige gentleman, boekenwurm én `magician', arriveert in Londen, waar hij Lady Pole, de overleden verloofde van een van de regerende ministers, uit de dood zal opwekken. In voorkomen is deze `magician' alles behalve de klassiek uitziende `woeste, romantische tovenaar', waardoor magiër, ruimer in betekenis, een betere vertaling was geweest.

Norrells magische onderneming slaagt dankzij een verbond dat hij sluit met een mysterieuze, onheilbrengende geest, `misschien een duivel'. Deze eist de helft van Lady Poles leven in ruil voor haar opstanding en haar pink als bewijs van de lugubere overeenkomst. Het is een voorteken van de gruwelen waaromheen de plot zich ontvouwt en een duidelijke variant op het klassieke thema van de mens die bereid is zijn ziel aan de duivel te verkopen om uit te vinden wat er is na de dood.

Norrell sluit het duivelspact, maar het is zijn leerling en latere rivaal Jonathan Strange die via het militaire strijdtoneel en Venetië uiteindelijk afdwaalt tot aan de rand van de Hel, `in kamers en vestibules in zichzelf waar hij jarenlang niet meer was geweest'. Letterlijk gehuld in duisternis jaagt Strange, bezeten en krankzinnig, de legendarische `Raven King' na, `de enige tovenaar die de dood heeft verslagen'. Deze heerste ooit over Noord-Engeland en `the Other Lands', bestaande uit het Elfenrijk en de Bittere Landen achter in de Hel, zoals Clarke uitlegt in een van de talrijke, originele voetnoten, een mix zijn van historische feiten en sprookjesachtige verzinsels.

Mistig, winters en mistroostig is Clarkes Engeland. `Precies zoals een Engels landschap hoort te zijn', becommentarieert Clarke met lichte ironie haar enigszins conventionele, maar beeldende, sfeervolle landschapsbeschijvingen. Met eenzelfde droge humor beschrijft ze de Britse `upperclass'. Over Britten die Venetië bezoeken schrijft ze: `Het trieste verval, waaraan alle gebouwen en bruggen onderhevig zijn, leek hen zelfs te charmeren. Het waren Engelsen en voor hen was het verval van andere naties een heel logisch fenomeen'. Deze ironisch formele stijl, gelardeerd met archaïsche vormen als `he chuse' (`hij koos') en `shewed' (`getoond'), die alleen in het Engelse origineel tot hun recht komen, maakt van Jonathan Strange & Mr Norrell behalve historische fantasy ook een milde, sociale satire en roept Jane Austen (Clarkes favoriete auteur) levendig in herinnering.

Clarke eert ook andere literaire grootheden. Zo zijn er ontmoetingen tussen Strange en Mary Shelley (Frankenstein) en de illustere Byron, die hem inspireert tot het schrijven van Manfred (1817), Byrons gedicht over een tovenaar. En zinnen als `Die spiegel... Ziet hij er niet uit alsof je er zó in zou kunnen lopen' en `misschien moet ik over eenzame heides en kale oevers zwerven, [...] in romans en toneelstukken een populaire plek voor krankzinnigen', verwijzen onmiskenbaar naar respectievelijk Carrolls Alice in Wonderland, Brontës Wuthering Heights en Shakespeares King Lear.

Clarkes roman is vol. Weliswaar relativeert de schrijfster fijntjes haar grote onderneming – Stranges echtgenote heeft geen tijd een driedelige roman uit te lezen – maar dat vermindert de zwaarlijvigheid geenszins. Bovendien, dat `boeken en magie eigenlijke het enige zijn waar Strange en Norrell echt om geven', wat eigenlijk ook voor Clarke geldt, maakt dat je onvoldoende om de hoofdpersonages geeft.

Clarke vergeet dat in een literair belangwekkende fantasy magie méér moet zijn dan geloofwaardig gemaakte vermakelijke onzin en een middel om het plot te ontknopen. In goede fantasy dient magie om door te dringen tot de ziel van het boek en de personages, die de complexiteit van onze werkelijkheid en psyche op de een n of andere manier weerspiegelen. Clarke neemt je mee op een fantastische, soms huiveringwekkende reis door de tijd, Engeland en Freudiaanse gedachtespinsels, maar uiteindelijk raakt ze je hart nèt niet. Daardoor is Clarkes debuut een weliswaar meeslepend boek over magie, maar geen `magisch boek'.

Susanna Clarke: Jonathan Strange & Mr. Norrell. Geïllustreerd door Portia Roseberg, Vassallucci, 943 blz. €27,50. De oorspronkelijke Engelstalige uitgave Jonathan Strange & Mr Norrell verscheen bij Bloomsbury, 782 blz. €25,71