Anneke Brassinga

Eind dit jaar wordt de verkiezing van een nieuwe Dichter des Vaderlands georganiseerd. Het Cultureel Supplement publiceert wekelijks een gedicht om de gedachten te bepalen.

Huisraad

Mijd zondagmiddagglibberpuddinggroen,

het bospadzeeflichtstralende; verdrijf uzelf

uit kroondomeinnatuurwoudlopersparadijsjes

eer hete Satansadem van gezinshoofd ei kookt.

Eén egel is geen egel; de grootste, roodste

wangt aan de kim, ontstekeld en geplet

maar al te vlees als gras. Er rijst een roep

om naderstaan, vergrijzender, der laatste

dagen. Rouw niet om levenden, uzelf incluis.

Verwachte neerslag van liefde laat niet eeuwig

op zich wachten; is uw paraplu niet al bewolkt?

Reken op skeletdwaalsterrennevellegerscharen,

verhul in bombazijn het naaldhuis afgestemd op

`t cryptapocalyptisch egelengelengezangstation.

Uit: Anneke Brassinga, Huisraad (uitg. de Bezige Bij, 1998)

Sinds haar debuut in 1987 geldt Anneke Brassinga (1948) als `dichteres van eigenzinnige, woordrijke poëzie met een prettige hang naar valsheid' (aldus Ilja Leonard Pfeijffer in deze krant). Toch stond haar experimentele taal concrete poëzie niet in de weg. Drie jaar geleden verscheen `Verschiet', dat volgens de recensent in Boeken `een verminderde dichtheid aan taalraarheid en stapelmetselwerkbrassingawoorden' vertoonde. De bundel leverde Brassinga in 2002 de VSB-poëzieprijs op.