`Turkije' geen routinezaak

Nederland moet bij toekomstige onderhandelingen over toetreding van Turkije tot de EU een uitzondering bedingen bij het vrije personenverkeer, meent Anton van Schijndel.

Na het positieve oordeel van de Europese Commissie over Turkije zijn nu de lidstaten aan zet. Waarschijnlijk zullen zij de Commissie een mandaat geven om volgend jaar met Turkije over toetreding te gaan onderhandelen. Over de inhoud van dat mandaat vindt de komende maanden besluitvorming plaats. Wat moet daarbij de Nederlandse inzet zijn?

Gelukkig is voor onze regering het nationaal belang leidraad van buitenlands beleid. Wil dat iets betekenen, dan zullen allerlei geopolitieke overwegingen in evenwicht moeten worden gebracht met prioriteiten van binnenlands beleid. Allerwegen wordt tegenwoordig erkend dat het integratievraagstuk een van de grootste maatschappelijke problemen sedert de Tweede Wereldoorlog is. Integratie en immigratie zijn daarbij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Integratie is immers alleen mogelijk indien immigratie uit niet-westerse landen wordt tegengegaan; anders is het `dweilen met de kraan open'.

Nederland en buurland Duitsland zijn landen met zeer grote Turkse gemeenschappen (respectievelijk 0,4 en 2.3 miljoen). De bestaande Turkse gemeenschappen fungeren als migratiebruggen; nieuwe migranten gaan meestal naar de plaatsen waar eerdere migranten zich hebben gevestigd. Na toetreding heeft Nederland daardoor, meer dan andere EU-landen, rekening te houden met een toestroom van huwelijks- en arbeidsmigranten uit Turkije. Anders dan velen vroeger dachten, zullen de relevante migratietradities van Turkse Nederlanders niet binnen een of twee generaties verdwijnen.

Wat betreft de huwelijksmigratie is het duidelijk dat de integratie van Turkse Nederlanders wordt gefrustreerd door de praktijk dat circa driekwart van de hier opgegroeide jongeren hun partner – doorgaans via een gearrangeerd huwelijk – uit Turkije laat overkomen. Om dit tegen te gaan zal Nederland in 2005 de taaleis invoeren. Huwelijkspartners van buiten de EU zullen dan eerst in eigen land Nederlands moeten leren.

Bij de arbeidsmigratie spelen de geringe bestaansmogelijkheden in Anatolië – de streek van herkomst van de meeste Turkse Nederlanders – een grote rol. In Anatolië bedraagt het inkomen per hoofd minder dan een tiende van het gemiddelde van de EU. Deze straatarme agrarische regio kent een lange geschiedenis van gastarbeid naar Nederland. Economische modernisering zal daar leiden tot een trek naar de stad van ongeschoolde boeren en arbeiders. Dit zal de prikkel versterken om familieleden en streekgenoten naar Nederland te halen.

Het is dus duidelijk dat Nederland in geval van toetreding van Turkije groot belang heeft bij het maken van een uitzondering op het vrije personenverkeer. Dat is noodzakelijk om een verdere ontwrichting van onze steden en instituties én van de Turkse gemeenschap in Nederland, te voorkomen. Van Turkije en onze Europese partners mag daarbij worden gevergd dat zij onze integratie-belangen eerbiedigen, al was het maar omdat bevordering van de sociale cohesie een van de hoofddoelstellingen van de Unie is (Artikel 2 EU-Verdrag).

De benodigde uitzondering komt erop neer dat ten aanzien van personen met de Turkse nationaliteit de Nederlandse bevoegdheid om huwelijks- en arbeidsmigratie te reguleren voor onbepaalde tijd wordt gehandhaafd. Het gaat daarbij om een permanente uitzonderingsbevoegdheid, dus niet om een overgangsmaatregel.

Zelfs de Commissie heeft in haar advies aangegeven dat voor sommige lidstaten permanente vrijwaringsmaatregelen moeten worden overwogen. Met lange overgangstermijnen à la Polen kan niet worden volstaan.

Turkije is geen routinebeslissing. Het gaat erom dat Nederland ook op lange termijn zelf kan beslissen of onze integratie-doelstellingen verenigbaar zijn met vrije huwelijks- en arbeidsmigratie. Dit wordt mede gerechtvaardigd door het karakter van de interne markt (vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen). Het gaat derhalve om economische vrijheden. In de geschiedenis van de Europese samenwerking zijn redelijke beperkingen daarvan op niet-economische gronden altijd mogelijk geweest. Zulke beperkingen dienen ook te gelden voor verblijfsrechten krachtens 'Euroburgerschap'.

Wat moet er nu gebeuren? Het onderhandelingsmandaat van de Commissie wordt door de lidstaten bij unaniem besluit vastgesteld. Nederland is derhalve in staat te bedingen dat zijn wensen in het mandaat van de Commissie worden opgenomen. Dit betekent dat het Nederlandse standpunt op korte termijn zal moeten worden ingebracht. Wanneer het mandaat van de Commissie eenmaal is vastgesteld vergt het namelijk unanimiteit om daarin nog wijzigingen aan te brengen.

Waarschijnlijk zal de Commissie bezwaar maken tegen een ongebruikelijke `aantasting' van haar mandaat. Zij zal wijzen op het onderhandelingsgebruik om alleen met overgangstermijnen te werken en op de gewenste uniformiteit van het EU-recht.

Strikt juridisch staat het de lidstaten echter vrij in een later te sluiten verdrag alle beperkingen op eerdere verdragen aan te brengen die zij wenselijk achten.

Het voorbeeld van Denemarken is instructief. Met een beroep op fundamentele belangen is dat land er in het verleden in geslaagd talloze afwijkende regels in de verdragen opgenomen te krijgen. Zo was Denemarken bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht in staat uitzonderingsregels te realiseren op het gebied van goederenverkeer (bezit van tweede woningen) en milieubeleid (handhaving van strengere nationale milieuregels). Daarnaast bedongen de Denen opt-out's op het gebied van de muntunie en het asielbeleid.

Door verstandig te onderhandelen kan Nederland wel degelijk zijn integratiedoelstellingen overeind houden. Regeren is vooruitzien. Regering en parlement mogen deze kans niet laten lopen.

Anton van Schijndel is advocaat te Amsterdam en kandidaat-Kamerlid van de VVD.