`Oudste Nederlandse versregels Oud-Engels'

De regels `Hebban olla vogala' worden beschouwd als de oudste Nederlandse poëzie. Niet voor lang meer, als het aan Luc de Grauwe, specialist in Germaanse taalkunde aan de Universiteit Gent, ligt. Hij is er bijna honderd procent zeker van dat het zinnetje Oud-Engels is.

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu. Wat ubidat ghe nu? (Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij. Wat verwachten jullie nu?) Menig scholier leert dat dit de oudste Nederlandse versregels zijn, ook al zijn er oudere zinnen bekend. De Germanist Kenneth Sisam, die ze in 1932 ontdekte in de Bodleian Library in Oxford, dacht dat de tussen 1075 en 1100 opgeschreven woorden van een Vlaamse monnik moesten komen.

Het Nederlands heeft geen andere bronnen om de versregels mee te vergelijken. Alleen het woord Olla vindt men terug in Middeleeuwse bronnen uit West-Vlaanderen. De Grauw beweert nu in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde dat het waarschijnlijk Oud-Engels is. Hij zocht alle woordvormen op in de Oud-Engelse grammatica. Elk woord is een Oud-Kentse vorm. Behalve het woordje Olla. Het is zeker West-Vlaams, maar niet zeker Kents. In andere delen van Engeland werd wel Alla gebruikt.

Volgens De Grauwe is het fragment een mengtekst. In de elfde eeuw waren de Nederlandse en Engelse streektalen nog niet zo verschillend. De regels zijn door een monnik geschreven in de abdij van Rochester in het graafschap Kent. Er werd altijd al aangenomen dat het om een uitgeweken Vlaming ging.

De vers zelf is een probatio pennae, probeersel van de pen. De schrijver pende eerst het versje op een hoekje perkament in het Latijn. Daaronder schreef hij de Nederlandse, of volgens De Grauwe, Oud-Kentse vertaling.