`Hulp bij rampen werkt vaak averechts'

Slachtoffers van rampen zijn vaak slechter af door het werk van hulporganisaties. Dat schrijft het Internationale Rode Kruis in zijn jaarverslag. Volgens het Rode kruis luisteren de organisaties en overheidsinstellingen nauwelijks naar de getroffenen. In plaats daarvan stellen ze hen voor als `rampslachtoffercliché', waarbij de plaatselijke gemeenschap wordt geportretteerd als volkomen hulpeloos.

Volgens het Rode Kruis zouden de hulporganisaties veel vaker moeten proberen om de plaatselijke bevolking te helpen zichzelf te helpen. Dat principe is de sleutel om de gevolgen van rampen te verminderen, aldus het rapport. Deskundige Eva von Oelreich van het Rode Kruis noemt het ,,een mythe dat alleen westerse landen en hulporganisaties weten wat het beste is''.

Na de aardbeving in de Iraanse stad Bam werden in de eerste twee dagen 32 reddingsteams uit 22 landen naar de plek des onheils gestuurd. Zij redden 22 mensen. Een westers team, compleet met speurhonden, kostte 50.000 dollar. Met dat geld hadden drie Iraanse honden en trainers opgeleid kunnen worden, en had ook nog twee jaar lang hun salaris betaald kunnen worden. Teams van de Iraanse Rode Halve Maan, de zusterorganisatie van het Rode Kruis, redde met tien speurhonden 157 mensen. De lokale bevolking redde kort na de aardbeving duizenden mensen. ,,Ik zeg niet dat er geen hulp van buitenaf nodig is'', aldus Oelreich. ,,Maar de balans is zoek. De slachtoffers zijn veel vindingrijker dan we vaak aannemen.'' Daar moet volgens haar meer gebruik van worden gemaakt.

Volgens een woordvoerder van het Rode Kruis heeft de ramp in Bam de hulporganisaties nog meer geleerd. Zo werd voor de slachtoffers een voucher-systeem geïntroduceerd, in plaats van voedselhulp of andere noodhulp. De vouchers waren geld waard en zo konden de getroffenen zelf bepalen waaraan ze behoefte hadden en hoe ze hun leven opnieuw wilden opbouwen.