Hoogopgeleid en gezond? Dan langer werken!

Het kabinet wil dat iedereen weer tot zijn 65-ste werkt. Een uniforme pensioenleeftijd is echter niet reëel: gezondheidsverschillen rechtvaardigen een eerdere pensioenleeftijd voor lager dan voor hoger opgeleiden, menen Johan Mackenbach en Wilma Nusselder.

Het kabinet wil de deelname aan VUT- en prepensioenregelingen fiscaal minder aantrekkelijk maken. Die regelingen dragen namelijk bij aan de geringe arbeidsdeelname van 60- tot 65-jarigen.

Gezondheidsoverwegingen spelen bij de beslissing om te stoppen met werken een belangrijke rol. Uit onderzoek blijkt niet alleen dat een slechte gezondheidstoestand vaak de directe aanleiding is, maar ook dat veel gezonde oudere werknemers verwachten dat door stoppen met werken hun gezondheid langer goed zal blijven, of zelfs nog wat zal verbeteren.

Deze verwachting komt in veel gevallen uit: na het stoppen met werken voelen veel vroeg-uittreders zich gezonder, en ook gaan ze minder vaak naar de dokter.

Dat is niet verwonderlijk, omdat veel mensen rond het zestigste levensjaar hinder krijgen van ziekten en aandoeningen die de arbeidscapaciteit en/of de arbeidsvreugde aantasten. De gemiddelde leeftijd waarop we in Nederland onze eerste chronische ziekte krijgen ligt rond de 53 jaar. De gemiddelde leeftijd waarop we onze gezondheid niet langer als `goed' benoemen ligt op 61 jaar. En de gemiddelde leeftijd waarop we een of meer langdurige lichamelijke beperkingen krijgen ligt, afhankelijk van de maat die ervoor wordt gebruikt, tussen de 53 en 70 jaar.

Zeker zo belangrijk zijn de grote verschillen binnen de bevolking. De opvallendste zijn die tussen hoger en lager opgeleiden: mensen met alleen lager onderwijs verliezen hun goede gezondheid op tien tot vijftien jaar jongere leeftijd dan mensen met een hbo- of universitaire opleiding.

Zo is de gemiddelde leeftijd waarop mensen hun gezondheid niet langer als `goed' beoordelen voor lager opgeleiden 53 jaar, en voor hoger opgeleiden 68 jaar.

Dit betekent in elk geval dat het voor lager opgeleiden aanzienlijk moeilijker is om werkend de 65-ste verjaardag te halen. Dat blijkt ook uit de cijfers: onder lager opgeleiden is de deelname van ouderen aan het arbeidsproces dramatisch laag, niet alleen wegens VUT- en prepensioen maar ook door een zeven maal hoger risico op arbeidsongeschiktheid (WAO).

Wellicht zal het mogelijk blijken om de gemiddelde uittredeleeftijd in Nederland te verhogen door de fiscale maatregelen die het kabinet heeft voorgesteld. Lang niet alle gezondheidsproblemen die rond de 60-ste verjaardag de kop opsteken, vormen immers een absolute belemmering om te werken.

Maar het zou onverstandig zijn om het bij fiscale maatregelen te laten, vooral als die gericht zijn op uniformering van de pensioenleeftijd.

Allereerst is het noodzakelijk om langer doorwerken ook aantrekkelijk te maken, door arbeidsinhoud en -omstandigheden aan te passen aan de vaak verminderde belastbaarheid van oudere werknemers. Als dat niet gebeurt, zullen de resultaten van het beleid onvermijdelijk tegenvallen, bijvoorbeeld doordat werkgevers ontevreden zijn over de productiviteit van hun oudere werknemers, en/of doordat de WAO-instroom weer gaat toenemen.

In de rijksbegroting 2005 wordt gewezen op het voorbeeld van Zweden, dat een hogere arbeidsdeelname van ouderen kent dan Nederland. Dat is inderdaad het geval, maar Zweden is nu juist het land bij uitstek waar de arbeidsdeelname al jarenlang stelselmatig wordt bevorderd via een veel breder scala aan maatregelen dan het Nederlandse kabinet nu voorstelt.

Daarnaast is het gezien de enorme gezondheidsverschillen onredelijk vast te houden aan een uniforme pensioenleeftijd. Lager opgeleiden hebben veel vaker al voor het 65-ste jaar ernstige gezondheidsproblemen.

Ook is hun totale levensverwachting door die gezondheidsproblemen aanzienlijk korter: mannen met alleen lager onderwijs leven gemiddeld 73 jaar, mannen met een hbo- of universitaire opleiding 78 jaar. Bij vrouwen zijn de verschillen iets kleiner. Lager opgeleiden genieten bij een uniforme pensioenleeftijd dus veel korter van hun pensioen.

Deze onrechtvaardigheid wordt in Nederland nu enigszins rechtgetrokken, doordat lager opgeleiden via WAO, VUT en prepensioen ondanks de uniforme pensioenleeftijd feitelijk eerder stoppen met werken dan hoger opgeleiden.

Er is veel voor te zeggen lager opgeleiden formeel recht te geven op een lagere pensioenleeftijd dan hoger opgeleiden. Dit kan worden bereikt door deze te differentiëren naar bedrijfstak en functieniveau.

Johan Mackenbach is epidemioloog en hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg. Wilma Nusselder is medisch-demograaf en senior-onderzoeker. Beiden zijn verbonden aan de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg van het Erasmus Medisch Centrum.