Gebrek aan visie in kwestie-Kosovo

De boycot van verkiezingen in Kosovo door de Serviërs toont aan dat niet alleen de internationale gemeenschap kampt met een gebrek aan visie, maar dat Belgrado hetzelfde probleem heeft.

Van de Kosovo-Serviërs heeft 99,3 procent de parlementsverkiezingen van afgelopen zaterdag geboycot. Het was hun manier om te protesteren tegen hun levensomstandigheden. De oproep tot de boycot, uitgegaan van premier Vojislav Koštunica van Servië, was daarmee een daverend succes.

Maar of dat succes de Kosovo-Serviërs op de wat langere termijn helpt, is de vraag. Ze hebben zich in het politieke proces in door de VN bestuurde Kosovo buitenspel gezet en kunnen dus niet meebeslissen over de toekomst. Ze kunnen blijven protesteren tegen hun levensomstandigheden, maar doen dat vanuit hun verre getto's en niet meer in het parlement, waar ze tot nu toe, met 22 van de 140 zetels, de derde partij waren. Van die 22 zetels bezetten ze er nog tien, want die zijn voor de Servische minderheid gereserveerd. Maar die zetels gaan naar partijen die maar 0,3 procent van het electoraat vertegenwoordigen.

In Belgrado dringt zich de vraag op: wat nu? Niemand, zo oordeelde deze week het nieuwsbulletin VIP, die daar een zinnig antwoord op kan geven. De oproep tot de boycot was een protest, ondernomen in de verwachting de internationale gemeenschap tot een wijziging in haar Kosovo-beleid te bewegen. Zij moet volgens Belgrado de Kosovo-Serviërs interne autonomie geven en op de langere termijn Kosovo toewijzen aan het land waarvan het formeel deel uitmaakt: Servië.

Die verwachting is – aldus VIP – naïef, want die interne autonomie zit er niet in, en herstel van het Servische gezag al helemaal niet: dat zou een recept voor oorlog zijn.

Iedereen in politiek Belgrado weet dat, maar niemand durft het hardop toe te geven. Dat zou, menen de Servische leiders, neerkomen op politieke zelfmoord: de Serviërs zouden nooit een politicus accepteren die erkent dat Kosovo, de wieg van de Servische beschaving, verloren is.

Dat van die politieke zelfmoord is overigens nog maar de vraag: president Boris Tadic van Servië, de enige in Belgrado die de Kosovo-Serviërs opriep wèl te gaan stemmen, is niet gelyncht, weggehoond of weggedemonstreerd, er komt tegen hem alleen een afzettingsprocedure die geen kans maakt – dat was alles.

Maar de rest van de politieke elite in Belgrado wentelt zich liever in zelfbedrog en in zinloze oproepen, verzoeken en eisen waar niemand naar luistert. Van beleid of visie is geen sprake. De Servische regering weet zelfs niet of de tien voor Serviërs gereserveerde zetels in het Kosovaarse parlement nu wel of niet moeten worden ingenomen. Het Kosovo-beleid van Belgrado is één grote impasse.

Maar ook de internationale gemeenschap ontbeert visie. Zij heeft beloofd midden volgend jaar het overleg over de toekomst van Kosovo te openen – dus te antwoorden op de vraag of Kosovo wel of niet onafhankelijk wordt, zoals de Albanezen willen. De voorwaarde voor het openen van dat overleg is echter dat Kosovo eerst moet voldoen aan minimum-standaarden op het gebied van democratisering, de rechtsstaat, bewegingsvrijheid voor minderheden, de terugkeer van vluchtelingen, de teruggave van eigendommen en een vrijemarkteconomie. Standaard vóór status, is het motto.

Intussen maakt diezelfde internationale gemeenschap het de Kosovaren echter onmogelijk aan die standaarden te voldoen. De leiders van de Kosovo-Albanezen hebben geen macht – die berust bij het VN-bestuur UNMIK – maar krijgen wel de schuld als hun achterban geweld gebruikt tegen de Serviërs, zoals in maart op grote schaal gebeurde. Die leiders moeten een vrijemarkteconomie op poten zetten die in Kosovo pas kan bestaan als er investeerders komen. En die investeerders komen niet zolang de internationale gemeenschap niet over de toekomst van Kosovo heeft beslist. Een vicieuze cirkel.

De Kosovaren konden vroeger altijd naar het buitenland om vandaar geld naar huis te sturen. Tegenwoordig hebben ze daarvoor visa nodig. Die krijgen ze niet, en dus worden ze gedwongen thuis te blijven (waar de helft van de beroepsbevolking werkloos is) of in het buitenland in de illegaliteit en de criminaliteit te gaan. Zo blijven in Kosovo werkloosheid, verpaupering en onvrede bestaan en is het, zoals Kosovo's beste waarnemer Veton Surroi vorige week voorspelde, een kwestie van tijd voor er een sociale explosie komt. Waarna de leiders van de Kosovo-Albanezen dan weer de schuld krijgen, want dan hebben die `hun achterban niet in de hand'. Een tweede vicieuze cirkel. De internationale gemeenschap laat Kosovo bungelen, steekt – net als Belgrado – de kop in het zand en hoopt dat het probleem op de een of andere manier vanzelf verdwijnt.