Een wonder in zicht

Veel ruchtbaarheid is er niet aan gegeven, maar in zijn wekelijkse nieuwsbrief publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) afgelopen maandag een verrassend cijfer. Zoals bekend is de toename van de productiviteit in Nederland onder de maat. Dat was in de gevierde jaren negentig al zo, toen de toename van de arbeidsproductiviteit gemiddeld de 1 procent niet te boven kwam. De sterke stijging van de werkgelegenheid van destijds was ironisch genoeg juist te danken aan die lage productiviteitsstijging. Doordat de efficiëntie per werknemer onvoldoende toenam, waren er relatief meer werknemers nodig.

Zonder productiviteitsstijging is er evenwel geen duurzame toename van de welvaart. Vandaar de race die vanuit de Nederlandse ministeries is gestart om de productiviteitsgroei weer omhoog te krijgen. Nederland doet daarbij wat de Europese landen zich in groepsverband hebben voorgenomen. In 2010 moet, volgens eerder gemaakte EU-afspraken in Lissabon, Europa de meest dynamische economie ter wereld zijn, nog vóór de Verenigde Staten. De weg is lang. Dezer dagen zal in een voortgangsrapportage over dit Lissabon-proces de Europese balans worden opgemaakt onder leiding oud-premier Wim Kok.

Wat nu uit de maandag gepubliceerde CBS-nieuwsbrief bleek, is dat de arbeidsproductiviteit in Nederland in de eerste helft van dit jaar is gestegen met 3,3 procent. Dat is veel.

Nu is het gangbaar, zo benadrukken de statistici terecht, dat de productiviteit in deze fase van de conjunctuur flink stijgt. Bedrijven nemen nog geen nieuwe mensen in dienst, maar voeren wel de productie op. Op het moment dat de werkgelegenheid ook weer toeneemt, is het gebruikelijk dat de productiviteitsstijging weer afkalft.

Twee zaken vallen op. Eerste is dat de stijging van 3,3 procent vooralsnog een stuk groter is dan de stijging van 2,7 procent in 1994, toen Nederland de vorige conjuncturele dip net achter de rug had. Tweede is dat het CBS de totale arbeidsproductiviteit meet, dus inclusief de overheid. Zonder die overheid mee te nemen, zoals de Amerikanen plegen te doen, zou het cijfer veel hoger uitkomen. Hoger dan de 2,7 procent die de Oeso voorspelt voor heel 2004. Want ook de Oeso telt de overheid niet mee.

Wat betekent dit? Het is te vroeg om al te grote conclusies te trekken. Maar het zou kunnen zijn dat, zoals sommige Amerikaanse economen beweren, Nederland nu de vruchten plukt van de grootschalige gebruik van informatietechnologie. In Europa begint nu eenmaal alles iets later dan aan de andere kant van de oceaan, waar het productiviteitswonder al een geaccepteerd fenomeen is. In dit geval zou dat bijzonder welkom zijn.