De zieltogende waarheid

Het eerste slachtoffer van de oorlog is de waarheid. Dat geldt ook voor verkiezingscampagnes. En bij een campagne in oorlogstijd is er voor de waarheid geen enkele hoop meer. Zes dagen voor deze verkiezingen heb ik medelijden met de gewone Amerikaanse burger, die zich een weg moet banen door de jungle van toespraken, de zwaarste beschuldigingen over en weer, de spotjes op de televisie waarin de tegenstanders elkaar zwart maken, en de adviezen van de deskundigen over de belastingen, de economie, de olieprijs, de werkgelegenheid, de nationale veiligheid en alles wat de burger verder aan het hart gaat.

Negen miljoen dollar per dag geven beide partijen op het ogenblik samen uit om het kiezersvolk van hun gelijk te overtuigen. Op twee november gaan de miljoenen naar de stembus, de stemmachine, het nieuwste elektronische wonderapparaat van de democratie. Maar of hun stem wordt geteld zoals ze hadden bedoeld? Daarover bestaat geen volstrekte zekerheid; vooral niet in Florida, waar het vier jaar geleden dusdanig verkeerd ging dat het Hooggerechtshof na weken van hertellingen de knoop moest doorhakken. Zo is George W. Bush president geworden, met een minderheid van omstreeks vijfhonderdduizend stemmen.

In 2000 leefde het hele Westen en Amerika in het bijzonder zonder het te beseffen, in de nadagen van de eeuwige vrede en de groeiende welvaart. De strijd tussen Bush en Gore was ook verbitterd, haatdragend, maar toch gingen niet meer dan negentig miljoen, ongeveer de helft van het electoraat naar de stembus. De werkelijke strijd begon pas daarna. In zijn campagne had Bush compassionate conservatism beloofd. Eenmaal aan het bewind begon hij met zijn conservatieve revolutie. Waren vrede en welvaart bewaard gebleven, dan zou ook daarmee de rest van de wereld zich niet buitengewoon betrokken hebben gevoeld. Toen kwam de elfde september en onmiddellijk daarop een ongekend betoon van solidariteit met Amerika. En vervolgens de oorlog in Irak die de president tot onderwerp van het diepste nationale en Atlantische conflict heeft gemaakt.

Het geheel dat we nu Irak noemen is een drama van vergissingen, misleidingen en regelrechte leugens, met tot dusver een overstelpende hoeveelheid slechte gevolgen, voor de Amerikanen, hun bondgenoten (niet alleen in het Westen) en niet in het minst de Irakezen zelf. Daar weten we langzamerhand veel van. Maar bij iedere nieuwe onthulling blijkt het toch weer erger te zijn dan we hadden gedacht. In het september/oktober nummer van het tijdschrift Foreign Affairs staat een artikel, `What Went Wrong in Iraq', geschreven door Larry Diamond die de eerste vier maanden van dit jaar adviseur, Senior Adviser, van de Coalition Provisional Authority in Bagdad is geweest. Het hoogste burgerlijk gezag tot het op 28 juni aan de voorlopige Iraakse president werd overgedragen. Diamond is iemand die er met zijn neus op heeft gestaan. Het voorspel tot de oorlog en de rechtvaardigingen blijven bij hem buiten beschouwing. Zijn artikel is één lang, gedetailleerd requisitoir tegen de militaire en politieke leiding van de oorlog en wat daarop, na 1 mei 2003 is gevolgd. Te weinig troepen, gebrek aan tolken, rampzalige misverstanden over wat een bezettingsmacht moet doen, geen begrip voor de ingewikkelde verhouding tussen de volken van Irak, onbesuisde zuiveringen die de bestuursstructuur ontwrichten, en dit alles onder de toenemende verbijstering van de Irakezen zelf die in vrede willen leven, liever in een democratie, maar desnoods zonder die beloofde zegening. Diamond heeft zijn artikel geschreven vóór de beroepsonthoofder Al Zarqawi bekend had gemaakt dat hij een afdeling van Al-Qaeda in Irak had gevestigd; en natuurlijk voor de Amerikaanse troepen, op zoek naar massavernietigingswapens, 380 ton conventionele explosieven over het hoofd zagen.

Irak is het wereldprobleem, onder deze Amerikaanse president tot dit formaat gegroeid. Wordt dat door de Amerikaanse kiezers begrepen? Het is niet de vraag, óf ze het begrijpen, maar hoe. De Bushisten weten dat hun president de terroristen keihard aanpakt. Met welk effect, en of er misschien daardoor meer bijkomen, is daarna geen probleem meer. Het keiharde aanpakken volstaat. Kerry spreekt over de verkeerde oorlog op de verkeerde tijd en op de verkeerde plaats. Straks staat de president, wie het ook zal worden, weer voor de benauwende werkelijkheid. Hoe moet de chaos van Irak worden teruggebracht tot een overzichtelijkheid waaruit misschien veel later een democratische staat zal ontstaan?

Deze Amerikaanse regering heeft in bijna drie jaar praktijk laten zien wat ze kan. Ze heeft het land verstrikt in wat de historicus Paul Kennedy heeft genoemd de imperial overstretch, het aangaan van lasten en verplichtingen die het volk niet kan of wil dragen. Niets wijst erop dat Bush en de zijnen in een tweede termijn iets essentieels aan hun wereldpolitiek zouden wijzigen. Met hun onversaagd vertoon van fermheid maken ze hun land verhoudingsgewijs zwakker. Dat argument speelt in de verkiezingsstrijd geen rol, maar het is wel de kern van de waarheid die in het complex Irak verborgen is.

Kritiek op Bush is pro-Amerikaans, heb ik kort na zijn aantreden als president geschreven. In deze krant van 23 oktober, Opinie & Debat, staat een bijdrage van de Amerikaan Richard Phillips. Het grootste gevaar van de tweede termijn voor Bush, schrijft hij, is dat de anti-Bush stemming overal ter wereld zal overgaan in een werkelijk anti-Amerikanisme. ,,De aanpak van Bush (-) ondermijnt de Amerikaanse economische wereldheerschappij'', is zijn conclusie; ten gunste van Europa.

Aan deze wereldheerschappij zijn we al bijna een eeuw gewend. Het gaat niet om de macht, maar hoe die wordt gebruikt. Wij zijn met de helft van de Amerikanen bang dat het nu verkeerd gaat. Ons gemeenschappelijk probleem is, dat de andere helft dat niet merkt. Of als het te laat is.