De Viennale heeft smaak

De Viennale in Wenen is een festival van vrienden en geestverwanten. Prijzen gingen naar de Argentijnse film `Los muertos' en het Amerikaanse `Down to the Bone'.

,,Dit is het filmfestival zoals Rotterdam had moeten zijn'', was dit jaar regelmatig te horen in de wandelgangen van de Viennale, het jaarlijkse internationale filmfestival van Wenen. Wat daarmee bedoeld wordt is duidelijk: het is overzichtelijk, compact en met een aanwijsbare kijk op de hedendaagse en de klassieke film. Wenen is niet alleen een festival van filmauteurs, maar ook van een directeur die zijn persoonlijke smaak laat prevaleren boven een soort internationale festivalconsensus. Nostalgici zouden zeggen: Wenen is hoe Rotterdam was onder Huub Bals, en al is de Weense directeur Hans Hurch misschien even eigenzinnig als de oprichter van het IFFR, hij is ook veel minder dwingend.

Een voorbeeld: Wenen presenteerde dit jaar een secure selectie uit het aanbod van de actuele artfilm, waaronder Nederlandse documentaires van Heddy Honigmann, Maria Ramos en de première van Sylvia Kristel – Paris van Manon de Boer, en daarnaast veel retrospectieven. Onder meer een overzicht van het streng-formalistische werk van het Frans-Duitse filmkoppel Jean-Marie Straub en Danièle Huilet en hun keuze uit de Americana van John Ford. Hun eigen films maakten weer deel uit van een programma rondom Oostenrijker Amos Vogel, dat ook ooit te zien was in de legendarische Cinema 16 in New York.

Nog een voorbeeld: In Wenen kan het gebeuren dat de Duitse documentairemaker Hartmut Bitomsky in zijn hoedanigheid als docent aan het California Institute of the Arts zijn student David Fenster meeneemt en diens afstudeerfilm Trona presenteert als een film die hem doet denken aan het werk van... John Ford. Het is de innemende schaamteloosheid waarmee de Viennale een festival van vrienden en geestverwanten is.

De persprijs werd toegekend aan Los muertos van de jonge Argentijnse regisseur Lissandro Alonso, die op het Filmfestival Rotterdam al veel indruk maakte met zijn debuut La libertad, en aan Down to the Bone van de Amerikaanse Debra Granik. Beide films richten zich op mensen die buiten de traditionele maatschappelijke vangnetten moeten zien te overleven.

Net als Rotterdam besteedt Wenen graag aandacht aan nieuwe filmmakers, met als resultaat dat veel van de door het Hubert Bals Fonds en de Cinemart gefaciliteerde producties hier te zien waren. Behalve Los muertos en Down to the Bone, waren dat ook de Iraanse film Story Undone en Jem Cohens duizelingwekkende travelogue Chain. Het zou een gevoel van trots geven als die films ook in Rotterdam in première konden gaan.