Tegen de veramerikanisering

De bevolking wil een zachtere samenleving dan het kabinet, bleek gisteren uit het Sociaal en Cultureel Rapport. Die wens is diep verankerd in de volksaard, maar de instituties varen een andere koers.

Het kabinet anticipeert op de komende crisis van de verzorgingsstaat en zet een serie maatregelen in de steigers waardoor het vakbonden en werkgevers tegen zich in het harnas jaagt. Daarnaast wordt de bevolking bevestigd in een stemming van collectieve neerslachtigheid. Het ligt volstrekt voor de hand dat dit conflict op deze manier juist in Nederland tot uiting komt, omdat drie fundamenteel verschillende visies op de verzorgingsstaat juist hier met elkaar in botsing komen.

Zweden, Duitsland en de Verenigde Staten zijn allemaal, elk op hun eigen manier, verzorgingsstaten. Volgens een van de belangrijkste theoretici op dit terrein, de politicoloog Gøsta Esping-Andersen, vormen deze drie landen de voorbeelden bij uitstek van drie verschillende typen verzorgingsstaten: de sociaal-democratische, de corporatistische en de liberale.

Nederland laat zich als enige niet goed in het schema van Esping-Andersen indelen. Het vertoont zowel corporatistische als sociaal-democratische trekjes, en hangt dus tussen Duitsland en Zweden in. Die bijzondere Nederlandse positie is later door tal van publicaties bevestigd, onder meer van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Veel minder aandacht is besteed aan de vraag waaróm Nederland die positie inneemt.

Keihard te maken is het niet, maar het zou wel eens kunnen dat die positie samenhangt met de snelle verandering die de Nederlandse samenleving de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. Die veranderingen – in normen en waarden, gedrag en tot op zekere hoogte institutionele praktijken – is hier sneller verlopen dan in veel andere landen.

Voor de Tweede Wereldoorlog was Nederland sterk op Duitsland georiënteerd. Duits was de belangrijkste vreemde taal voor Nederlanders, en is dat nog steeds voor velen die hun opleiding in de jaren dertig genoten. Dat het denken over sociale zekerheid in Nederland Duitse trekken heeft is dan ook niet vreemd.

Het altijd door complexe coalitiekabinetten geregeerde Nederland zag zich bovendien genoodzaakt met vele opvattingen rekening te houden bij de inrichting van het stelsel. Draagvlak bij de sociale partners is daarvan altijd een belangrijk onderdeel geweest. Vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en vakbonden bestierden de meeste uitvoeringsorganisaties.

Het corporatistische uitvoeringsstelsel raakte door de overbelasting van de WAO in de jaren tachtig in diskrediet, hetgeen in 1993 leidde tot een parlementaire enquête over de sociale zekerheid. Sindsdien is de invloed van de sociale partners op de uitvoeringspraktijk systematisch afgebroken. De laatste jaren is het marktwerking en concurrentie wat de klok slaat: reïntegratiebedrijven kunnen bieden op een quotum arbeidsongeschikten. Daarmee veranderde niet alleen de praktijk, maar ook de retoriek en achterliggende ideologie.

Met de opkomst van de babyboomers verschoof de oriëntatie naar Amerika. Engels werd de belangrijkste vreemde taal. Amerikaanse films, Amerikaanse en Britse popmuziek bedwelmden de jeugdige geesten.

De trend naar Amerikaanser institutionele structuren is onder Paars al volop ingezet. De marktideologie werd vooral verwoord door de babyboomers Hans Wijers en Annemarie Jorritsma. Institutioneel is de Nederlandse verzorgingsstaat op weg van een corporatistisch, Duits georiënteerd model waarin een hoofdrol is weggelegd voor overleggende werkgevers en werknemers, naar een Amerikaans georiënteerd model waarin marktwerking het belangrijkste coördinatiemechanisme is.

Relatief onafhankelijk van deze institutionele structuur veranderde de Nederlandse volksaard. Dat kon iedereen zien, maar het blijkt uit langlopende vergelijkende studies, zoals die van de Amerikaanse socioloog Ronald Inglehart. Hij definieerde in de jaren zeventig postmaterialisme als dimensie onder grote processen van sociale verandering. Postmaterialistische mensen of samenlevingen zijn niet zozeer niet-materialistisch – postmaterialisme komt vooral voor in de allerrijkste landen – maar ze vinden hun materiële welvaart zo vanzelfsprekend dat ze andere dingen in het leven hoger gaan waarderen. Zoals vrije tijd. Volgens Inglehart was Nederland het land waar het postmaterialisme het snelst en op de grootste schaal om zich heen greep.

De Nederlandse econoom Geert Hofstede poogde die volksaard nauwkeuriger te duiden in een kolossaal onderzoek naar normen en waarden op de werkvloer. Op basis van enquêtes onder meer dan honderdduizend mensen in tientallen landen constateerde hij grote en opmerkelijke verschillen tussen nationale culturen. Hierbij onderscheidde hij vier factoren om de houding van personen in een bepaald land te verklaren: individualisme, onzekerheidsvermijding, machtsafstand en masculiniteit. Landen laten zich op deze factoren clusteren, en Nederland belandt daarbij ondubbelzinnig in het Scandinavische cluster: feminiene (`zachte') samenlevingen met weinig onzekerheidsvermijding (open voor verandering). Nederland lijkt qua volksaard veel meer op Noorwegen, Finland, Denemarken en Zweden dan op Duitsland, België of Engeland.

Kijkend naar de veranderingen in Nederland na de oorlog valt bijvoorbeeld direct op hoe snel de machtsafstand is afgenomen. Vergelijk hoe een minister in de jaren vijftig werd ondervraagd met de huidige praktijk. En kijk eens naar de Duitse tegenpolen om te zien dat veranderingen niet per se zo snel hoeven gaan. De Nederlandse volksaard is in de afgelopen vier decennia relatief snel veranderd en op drift geraakt richting Scandinavië.

Het ligt voor de hand dat de door de bevolking gewenste institutionele inrichting van de samenleving aansluit bij de volksaard. Maar in Nederland zijn de maatschappelijke veranderingen zo snel gegaan dat de instituties de grootste moeite hebben om die enigszins bij te benen. Daarbij komt dat de beheerders van die instituties hun eigen belangen verdedigen en de nieuwe machthebbers eveneens hun eigen, relatief internationale en dus Amerikaans georiënteerde waarden inbrengen. De institutionele veranderingen gaan niet alleen traag, maar hebben ook een eigen dynamiek, relatief onafhankelijk van de waarden van de bevolking.

Kortom, Nederlanders willen naar Scandinavië, het kabinet naar Amerika. Die koersen staan haaks op elkaar. En de sociale partners zouden hun zaakjes nog het liefst zelf regelen en hun Duitse wortels behouden. Dat is verdraaid lastig als je tot elkaar bent veroordeeld en samen ergens heen moet.