Probleem bij plan inburgeren

Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD) stuit op grote problemen bij de uitvoering van haar nieuwe, omvangrijke inburgeringsplannen. Volgens interne berekeningen van haar eigen ministerie van Justitie komt ze ruim een half miljard euro te kort om alleen al alle allochtone werklozen en allochtone vrouwen tot een inburgeringscursus te verplichten. Ook twijfelen rechtswetenschappers, onder wie de juristen op haar ministerie, aan de juridische haalbaarheid van haar plannen.

Uit het interne onderzoek naar de financiële onderbouwing van haar plannen blijkt dat Verdonk alleen al circa een miljard euro nodig heeft om alle werkloze allochtonen die arbeidsplichtig zijn en de opvoeders van de tweede generatie (vrouwen) te laten inburgeren. Ze heeft hiervoor maar 250 miljoen euro op haar begroting.

Ze zou daarom nu noodgedwongen inzetten op werkloze allochtonen die een reïntegratietraject volgen (terugkeer op de arbeidsmarkt). Daarmee komt Verdonk terug op haar uitspraak in juni in de Kamer dat ze alle zogeheten oudkomers tot 65 jaar gaat verplichten om alsnog een inburgeringsexamen te halen. ,,Je bent pas oud als je 75 of 85 jaar bent'', sprak ze toen. Wel blijft de minister hier op aansturen, zij het in een lager tempo.

Er wonen naar schatting tussen 500.000 tot 600.000 allochtonen in Nederland die nog onvoldoende zijn geïntegreerd. De juridische problemen spitsen zich vooral toe op de vraag of ze genaturaliseerde allochtonen, maar ook Antillianen (die allen de Nederlandse nationaliteit hebben) die zich hier vestigen, wel kan verplichten alsnog een inburgeringsexamen af te leggen. Als ze die test niet halen wil Verdonk hun jaarlijks een gemeentelijke boete opleggen. Dit zou in strijd zijn met het zogeheten gelijkheidsbeginsel, op grond waarvan genaturaliseerden en Nederlanders van geboorte over dezelfde rechten en plichten hebben.

Ook is ,,er gerede twijfel'', aldus een betrokkene in Den Haag, dat het Associatieverdrag van Turkije met de EU (1963) en de afspraken die daar aan toe zijn gevoegd Verdonk verbieden om eisen te stellen aan de eerste generatie Turken die hier als werknemer kwamen. [Vervolg INBURGEREN: Pagina 3]

INBURGEREN

Twijfel over plan Verdonk

[Vervolg van pagina 1] Op basis van de bestaande afspraken tussen Brussel en Ankara mogen de rechten van Turken die zich in Europa vestigen niet verslechteren. Het lijkt niet te gelden voor de tweede generatie die hun bruid en bruidegommen voor driekwart nog steeds uit Turkije haalt. Maar of deze daadwerkelijk niet onder het verdrag vallen, is nog de vraag. En ook als dat wel zo is, mag aan hen dan wel de eis worden gesteld dat ze zich - alvorens ze zich in Nederland mogen vestigen - eerst aan een inburgeringsexamen in Turkije zelf moeten onderwerpen?

Over de precieze reikwijdte van het Associatieverdrag inzake de Nederlandse inburgeringsplannen lopen de meningen van rechtswetenschappers uiteen. Daarom laat Verdonk nu onderzoek doen door de afdeling Europees en Internationaal Publiekrecht van de Universiteit van Tilburg.

Begin november vinden evenwel pas de eerste gesprekken over deze onderzoeksopdracht plaats tussen het Wetenschappelijk Documentatie- en Onderzoekscentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en de universiteit. Een betrokkene vreest dat ook met betrekking tot het Associatieverdrag ,,de hemel niet mooi blauw is voor Verdonk''.

De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) komt midden november met het advies over het gelijkheidsbeginsel. Maar ongevraagd gaat de commissie zich ook uitspreken over de vraag of het Associatieverdrag van Turkije met de EU obstakels opwerpt voor de plannen van Verdonk inzake de verplichte inburgering. Eerste inschattingen van zowel wetenschappers als juridische ambtenaren op het ministerie van Justitie geven aan ,,dat de kans groot is dat Verdonk op haar schreden moet terugkeren en haar inburgeringsplannen moet bijstellen''.

Dat is in tegenspraak met wat ze in juni, bij de behandeling op hoofdlijnen van het nieuwe inburgeringsstelsel, nog met grote stelligheid beweerde: internationale wet- en regelgeving belemmerde haar niet om de verplichte inburgering op te leggen aan genaturaliseerde allochtonen, tenminste als deze buiten de Europese Unie (EU) zijn geboren. En wie twijfelde aan de jurische haalbaarheid van haar nieuwe inburgeringsbeleid moest haar maar voor het het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in Luxemburg dagen.