Jazzpianist Dave Brubeck zorgt voor feestvreugde

Al bij het binnenkomen een staande ovatie krijgen, dat is zeldzaam, zeker voor musici uit de jazzhoek. De eer viel gisteren te beurt aan pianist Dave Brubeck, die voor de vierde keer optrad in het Amsterdamse Concertgebouw. Zij het gespreid over meer dan veertig jaar; zijn eerste concert gaf hij er in 1960. Gezien het vele `grijs' in de uitverkochte zaal was het voorstelbaar dat een deel van het publiek er toen ook al bij was.

Brubeck, die zich stram naar de vleugel bewoog – hij wordt over zes weken 85 – heeft zoveel krediet dat zijn aanwezigheid eigenlijk al genoeg was. Maar al in het openingsstuk, een medium slow met een forse shot Bach, maakte hij duidelijk dat hij niet van plan was de avond freewheelend door te brengen. Wie gevraagd wordt, die zet zich in. Dat geldt nog sterker voor blazer Bobby Militello, die met zijn massieve Oliver Hardy-postuur niet probeert te spelen als Paul Desmond, Brubecks smaakmaker uit de jaren vijftig en zestig, maar eerder als Charlie Parker en Julian `Cannonball' Adderley. Meer `hot' dan `cool' dus, en als het even kan richting de blues. In het bekende Stormy Weather, door Brubeck bijna dromerig ingeluid, stal hij de show met een scheurende solo.

Verrassender nog was het spel van Michael Moore. Gebruiken de meeste jazzbassisten de contrabas uitsluitend om er op te plukken, Moore bracht met verve in praktijk wat hij ooit op het conservatorium leerde: dat dat onhandige `hondenhok' in de eerste plaats een viool is. Zijn gestreken solo's hebben met de geplukte gemeen dat ze een verhaal vertellen; soms romantisch, maar ook eng en gemeen. Ook de Engelse drummer Randy Jones stak zijn kop enthousiast boven het maaiveld uit. De eerste set eindigde zoals hij begon: met een massieve staande ovatie.

Dat Brubeck in het tweede deel vooral standards inzette – These Foolish Things, Bill Evans' Waltz for Debby en het bijkans kapot gespeelde I got Rhythm – maakte de feestvreugde alleen maar groter. Pas toen na een `slow drag'–blues van een kwartier bijna niemand er meer op rekende, wierp Brubeck alsnog Take Five in de strijd, de mooie riedel van saxofonist Paul Desmond die ook in Nederland vier maanden in de hitlijsten prijkte. Dat het publiek hier niet luid meezong, was ongetwijfeld te wijten aan het feit dat het arrangement veranderd is. De drumsolo bevat niet meer een aantal karakteristieke stops, maar gaat continu door; Randy Jones heeft heel wat stoom af te blazen.

Dave Brubeck, die zichzelf beschouwt als ,,een componist die ook piano speelt'', neemt graag een beetje risico en meed daarom het geheide Blue Rondo à la Turk en ook In your own Sweet Way, zijn compositie waar Miles Davis zo gek op was. Als toegift na ruim twee uur speelde hij een plagerige, uiterst trage versie van Show me the Way to go Home, de jengeldeun van Irving King, geschreven in 1925.

Dave Brubeck bond gisteren een breed publiek. Een minderheid ging ,,uit zijn dak'', het overgrote deel ging naar huis met het gevoel weer een ,,mieterse avond'' te hebben beleefd.

Concert: Kwartet van pianist Dave Brubeck met Bobby Militello (altsax en fluit). Gehoord: 25/10 Concertgebouw, Amsterdam.