Bestuurders misten signalen over haven

Het gemeentebestuur van Rotterdam heeft de eerste signalen over het financiële schandaal bij het Havenbedrijf onderschat. Dat stelt de Rotterdamse Rekenkamer, in een rapport dat vanmiddag is uitgebracht.

Het schandaal kan de gemeente een strop van 110 miljoen euro opleveren.

Volgens de Rekenkamer waren ,,extra controlemaatregelen op zijn plaats geweest'', toen de gemeente steeds meer aanwijzingen kreeg dat directeur W. Scholten van het Havenbedrijf bankgaranties verstrekte aan defensiebedrijven van J. van den Nieuwenhuyzen. Met een ,,tijdig verscherpt toezicht'' had het stadsbestuur ,,zijn verantwoordelijkheid zeker waar moeten kunnen maken''.

Dit schrijft de Rekenkamer in het rapport Tussen borg en zorg, dat is opgesteld op verzoek van de gemeenteraad. De raad spreekt donderdag over het havenschandaal.

Scholten heeft de afgelopen twee jaar voor 180 miljoen euro aan geheime bankgaranties verstrekt aan defensiebedrijven van Van den Nieuwenhuyzen. Gisteren liet zijn advocaat weten dat Scholten (60) per 1 november met prepensioen gaat, twee maanden eerder dan afgesproken toen het schandaal eind augustus in de openbaarheid kwam.

Volgens de Rotterdamse Rekenkamer is de vraag aan de orde of de gemeente ,,informatie op waarde weet te schatten'' en ,,bij alarmerende signalen op de juiste wijze weet op te treden (...) indien meerdere signalen dezelfde betrokkenen gaan bereiken en in kracht toenemen''.

Het rapport van de Rekenkamer vormt een `second opinion' na een eerder onderzoek door CDA-senator W. Lemstra, dat is verricht op verzoek van het college van burgemeester en wethouders. Lemstra concludeerde twee weken geleden dat het gemeentebestuur ,,zijn verantwoordelijkheid niet heeft kunnen waarmaken'' doordat Scholten op eigen houtje handelde.

De Rotterdamse Rekenkamer beschrijft nu een aantal `onderschatte signalen', waaronder het feit dat het ministerie van Defensie eind 2003 lucht kreeg van de garanties. Het rapport-Lemstra schrijft in dit verband dat Defensie bij de gemeente informeerde ,,of het gerucht juist was'' dat het Havenbedrijf een garantie had verstrekt aan een RDM-bedrijf van Van den Nieuwenhuyzen.

Volgens de Rekenkamer was ,,het zogenoemde gerucht een concrete aanwijzing'', omdat het ,,specifieke informatie'' bevatte. Defensie ,,deelde mee'' dat de Commerzbank een lening van 25 miljoen euro had verstrekt aan RDM en vroeg vervolgens of het Havenbedrijf zich hiervoor garant had gesteld.

Ook in 2002 was er sprake van een ,,als concreet te bestempelen aanwijzing'' en daarmee een `onderschat signaal', aldus de Rotterdamse Rekenkamer. In oktober van dat jaar informeerde een bank bij de gemeente of Scholten bevoegd was garanties af te geven. Volgens het rapport-Lemstra liet de bank vervolgens weten dat de garantie door de directeur was getekend, waarna deze desgevraagd verklaarde dat ,,het niet meer aan de orde is''.

Ook hier stelt de Rotterdamse Rekenkamer dat er meer specifieke informatie was dan het rapport-Lemstra suggereert, waaronder de hoogte van de beoogde bankgarantie. Maar vooral van belang acht de Rotterdamse Rekenkamer dat de volgorde van gebeurtenissen anders was: de bank liet weten dat de garantie was ondertekend nadat de directeur daags ervoor had ontkend dat ,,het aan de orde was''.