Vogelverschrikkers

Keepers zijn rare snuiters. Ze lopen met een handtasje naar het doel. Ze zijn soms te zwaar. Ze dragen te grote handschoenen. En ze zijn steeds vaker te laat bij de bal.

Doelmannen hebben het zwaar. De bal is van een sloom, waterzuigend leren ding verworden tot een spiegelglad projectiel van kunststof. Het spel raast in een hoog tempo aan hun ogen voorbij.

Vroeger kreeg je als doelman een trotsmakende bijnaam. Frans de Munck – inmiddels grijs en stram – noemden ze de Zwarte Panter. Daar durfde je als spits niet op af. Of neem Fabio Cudicini van AC Milan. Hij maakte een imaginair web tussen de palen en de lat en heette De Spin. Iedere bal bleef aan dat onzichtbare zilverdraad kleven.

De Panter en De Spin, dat is melancholiek geneuzel over vroeger. De Panter en De Spin is een titel voor een kinderboek uit vervlogen tijden.

Doelmannen zijn schietschijven geworden, opgetuigde vogelverschrikkers. Het is van oudsher geen populaire post in het elftal. Je bent geen voetballer. Je komt in aanmerking voor een plaats onder de lat als je een tikje afwijkt, als je onbegrijpelijke dingen doet.

Even snel een associatief spelletje. Van der Sar? Raar stemgeluid, loopt soms met bal aan de voet voor het doel langs. De Goey? Vlassnor, wilde altijd `terug naar het vrouwtje'. Schrijvers? Te dik, permanent in peenhaar. Doesburg? Witte zomerpet, kortsluiting in de hersens na een doelpunt. Treijtel? Meeuw neergeschoten, haar over kaal hoofd gekamd.

Ik zei het toch? Rare snuiters, die keepers.

Dit weekend speelden vier keepers in de topper PSV tegen Ajax. In het doel bij PSV stond Gomes. Hij droeg een lange broek bij warm najaarsweer. Gek. Hij heeft de verkeerde naam voor een keeper. De naam Gomes doet denken aan de schaatser Gomez, de Spaanse krabbelaar die het pootje over nauwelijks beheerste. 49,9 op de 500 meter. Keeper Gomes komt uit Brazilië, een land met een arme keeperstraditie. Hij viel uit met een liesblessure, opgelopen tijdens het uitschieten. Tja.

De Roemeen Lobont begon op doel bij Ajax. De doelman speelt al weken met onweer in zijn hoofd. Gisteren gleed de bal door zijn handen. 1-0 voor PSV. Hij bleef op de grond liggen en draaide zich om naar zijn verdedigers. Lobont hunkerde naar aandacht, desnoods via een pak rammel. Er kwam niets, nog geen aai over de bol.

Even later vloog hij ver weg uit de doelmond. Hij maakte meer meters dan goed is voor een doelman. Hij verdraaide zijn knie na een vertwijfelde sprong naar de bal. Daar lag de schlemiel van de dag, buiten zijn strafschopgebied. Bij de zijlijn gleed de brancard voorbij aan Ronald Koeman.

Zijn er al bijnamen voor Gomes en Lobont? Slingeraap en Twijfelkont. Liesbreuk en Zenuwpees.

De reservekeepers sprongen op van de bank. Zoetebier en Vonk. Wie durft in een vol café te roepen dat hij de kost verdient met `reservekeepen'? Ik geniet altijd van de lichte paniek rond een keeperswissel. De verzorger maakt vanaf het veld een rolgebaar met de armen. Warmlopen is er niet meer bij. Er wordt gesjord aan het trainingspak, de stugge handschoenen gaan tijdens het oplopen pas dicht. De paal krijgt een schopje.

Het hele stadion maakt zich zorgen om het eerste balcontact. Zoetebier kreeg een simpel rollertje. Je zag hem de bal omhelzen en opkijken met de blik van een heerser. Die krijg je de komende weken met geen vier paarden weg uit het doel. Vonk speelde zijn eerste competitieminuten voor Ajax. Ik kan me er niets meer van herinneren. Dat is een goed teken.