Sport met vleugje literatuur

Sports Illustrated bestaat vijftig jaar en viert feest. Sportjournalist Mart Smeets, al 35 jaar abonnee van het Amerikaanse blad, over de betekenis van een vast en betrouwbaar anker in de sportjournalistiek.

De schatting is dat per week ruim zestien miljoen mannen Sports Illustrated onder ogen krijgen. Ruim drie miljoen mensen over de hele wereld hebben een abonnement. Om in ons land S.I. wekelijks op de mat te laten ploffen moet je ruim 150 euro betalen. Wat je dan krijgt? Waarschijnlijk 's werelds beste sportblad, gemiddeld ongeveer honderd pagina's dik, fraai vormgegeven, uitgevoerd met oogstrelende foto's en bol staand van kwaliteitssportjournalistiek.

Zegt Alexander Wolff, een der topschrijvers van het blad: ,,S.I. wordt gelezen door studenten en door middle and upper-middle-class in sport geïnteresseerde mensen. Ja, het blad heeft een bepaalde naam. Welke? Betrouwbaar, zeg ik als eerste reactie. Betrouwbaar als in `wat zij brengen, zal ook wel waar zijn' en die positie hebben we ons door die vijftig jaar heen verworven.''

Ooit, in de jaren vijftig, toen er in de VS nog niet op kwaliteitsrijke manier over sport bericht werd – anders dan het brengen van wedstrijdverslagen en uitslagen – werd besloten dat zoiets basaals als `sport' ook heel goed, mooi en vooral serieus beschreven en gefotografeerd kon worden.

Niet voor niets dat in de eerste jaren van het bestaan van het blad de namen van William Faulkner en Ernest Hemmingway in het colofon werden aangetroffen. De stichter van het blad, Henry R. Luce kocht de titel van een oud-journalist die de naam Sports Illustrated had overgenomen van een blad dat voor de Tweede Wereldoorlog failliet was gegaan. Luce wilde oorspronkelijk de naam `Sport' gebruiken, maar dat blad bestond al (tegenwoordig niet meer) en voor 5.000 dollar kocht de uitgever de titel: een successtory kon beginnen.

Het eerste exemplaar kwam in Amerika op straat op 13 augustus 1954. Op de eerste dag werd 90 procent van de gehele oplage (500.000 stuks) verkocht. Gedurende tien jaar bleef het blad in de rode cijfers; de verkoop in de grote steden aan de Amerikaanse oostkust was bevredigend, maar wat was de Amerikaanse sport nou helemaal in die dagen?

Een eenvoudige surveillance levert op dat er toen zestien Major League honkbalploegen waren; geen enkele had zijn thuis ten westen van St. Louis. Er werd in slechts vier Amerikaanse steden National Hockey League gespeeld, er bestonden 12 National Football League ploegen en de basketbalcompetitie NBA speelde zich geheel in het oosten af. Daar komt nog bij dat in de beginjaren van S.I. profsport geheel en al beoefend werd door blanke Amerikanen. Geen wonder dat S.I. in die jaren een blad was voor de bovengemiddeld verdienende, beter opgeleide Amerikaan die blank was en in het oostelijk deel van het land woonde.

De jaren zeventig brachten een ommekeer: de sportlandkaart ging open en de Afrikaanse Amerikaan (in die dagen neger genoemd) ging een hoofdrol in de grote sporten spelen en sport werd ineens als een belangrijk sociaal stuk speelgoed gezien.

Waar het blad in 1964 winstgevend werd, kon men in 1972 de schuld bij de uitgever van 34 miljoen dollar aflossen. Vanaf dat moment heeft S.I. winstgevend gedraaid en zijn de verkoopcijfers gestegen. Het aardige is dat de drijvende kracht achter het blad in die jaren een Fransman was; André Laguerre, de zoon van een in Amerika werkende diplomaat.

Hij was niet alleen de hoofdredacteur, maar ook de man die met vernieuwende ideeën kwam. Hij lanceerde de regionale en later de grote-stadedities (New York, Chicago en Los Angeles) van het blad en kwam met het doldwaze idee van het S.I.-badpaknummer. Dat laatste is nog steeds het best verkopende exemplaar.

Schrijver Wolff geeft half lachend, half besmuikt toe dat het een frivole vorm van zachte porno is geworden, maar kopend Amerika maakt zich daar geen zorgen om. In de tweede week van februari komt het driedubbeldikke nummer uit en vindt het binnen de kortste keren meer dan 6.5 miljoen afnemers; tweemaal het aantal abonnees. Vooral op de campussen van de universiteiten is het badpaknummer niet aan te slepen. Beroemde modellen als Cheryl Tiegs, Elle MacPherson en Heidi Klum hebben in buitengemeen bescheiden stukjes modern textiel geposeerd voor de lenzen van wereldberoemde fotografen, op alle exotische plaatsen in de hele wereld.

Niet dat deze succesuitgave geheel ongemerkt ging. De vrouw van de beroemde basketbalcoach Dean Smith (North Carolina) zette een hele organisatie op om de `viespeukerij' te weren. S.I. reageerde eens door haar echtgenoot een week na het badpakkennummer pontificaal op de cover te zetten. Behalve fotomodellen figureren ook sportmensen zelf in badpak of zwembroek in het speciale nummer. Of echtgenotes van bekende sportmannen.

En wat die cover betreft: het is een hele eer op de omslag van S.I. te staan. Hoewel de mare gaat dat er een vloek rust op die eye-opener – diegene die de cover siert, presteert de volgende week niet of nauwelijks – hebben de beroemdste sportmensen uit de hele wereld op de cover gestaan. Een (halve) Nederlander is daarbij: voetballer Ernest Stewart.

Koploper in het coverklassement is Michael Jordan (officieuze telling: 49 maal) en meest voorkomende sportvrouw is Mary Slaney-Decker met vier maal. Wielrenner Lance Armstrong is de afgelopen zes jaar zes maal afgebeeld en heeft het dus, naar S.I.-normen, heel goed gedaan.

Wat nu is het geheim van S.I? Waarom is het volkomen geaccepteerd in de Amerikaanse samenleving.

,,Wij worden serieus genomen en dat is al heel wat'', zegt Alex Wolff, afgestudeerd aan de universiteit Princeton, auteur van een aantal sportboeken. ,,Als je een sporter gaat interviewen en je kondigt jezelf aan als `ik ben van Sports Illustrated' dan is het ijs bijna altijd gebroken. Sportmensen in de hele wereld kennen onze reputatie.''

Voor Michael Jordan, toch de meest op de cover voorkomende sporter ooit, gold die regel niet. Jordan weigerde eenvoudig een woord te wisselen met vertegenwoordigers van S.I. De reden? Na zijn eerste afscheid uit de basketbalsport speelde Jordan enige tijd onderbond-honkbal. S.I. zette een sterreporter op de nieuwbakken honkballer, er werd een coverstory geschreven die als titel `Michael Bag It' meekreeg. oftewel `Mike, houd er mee op'. De sportman nam dat heel serieus. Vanaf dat moment trad de ijstijd in, nooit sprak hij meer met een journalist van S.I., hoewel hij zichzelf nog eenmaal, als Sportsman of the Year, liet vereeuwigen door de superbe fotograaf Walter Iooss Jr, die 229 maal de foto voor de cover maakte. Zelfs tegen die drempel kon de weerbarstige Jordan niet op, want gekozen worden tot Sportsman of the Year in S.I. is zoiets als de Nobelprijs voor de sport ontvangen. Alle sportmensen die deze eer hebben gekregen, hebben meegewerkt en basketbalster Jordan dus ook.

Zegt auteur Wolff: ,,We gebruiken in onze kolommen geen vierletterige woorden, we nemen de sporter serieus, we houden ons aan oude, vertrouwde conventies zonder ouderwets te zijn. Sportiviteit, de afkeer van dopinggebruik, valsspelen en supportersgeweld en iedere vorm van discriminatie en racisme.''

Maar dan toch, wat maakt S.I. zo speciaal in een wereld waar vele sportbladen bestaan?

Wolff: ,,Noem het een `touch of class', de manier van schrijven, een vleugje literatuur misschien wel en superieure foto's. En vooral ons vertrouwen in onze lezers. Begrijp me goed, het is een eer voor dit blad te werken. Iedere sportjournalist in de VS wil dat S.I. meer is dan uitslagen en een wedstrijdverslag.''

www.si.com

www.sicovers.com