Kansarmen zijn de dupe van linkse en rechtse taboes

Pas als links en rechts hun vastgeroeste posities opgeven, kan de arbeidsmarkt zijn flexibiliteit terugkrijgen, meent Bart Snels.

Dat de vergrijzingsgolf het nodig maakt dat meer mensen gaan werken, daarover is iedereen het wel eens. Toch zit het debat over de economische en sociale veranderingen die hiervoor nodig zijn, vol taboes en dogmatiek. Zo houdt het kabinet halsstarrig vast aan beleid ten aanzien van VUT, prepensioen- en levensloopregelingen, terwijl zelfs het Centraal Planbureau in klare taal constateert dat het ineffectief is. Tegelijkertijd maakte PvdA-leider Bos bij de Algemene Beschouwingen duidelijk dat verhoging van de AOW-leeftijd voor hem taboe is. Dat is een merkwaardige opstelling. Gezien de stijgende levensverwachting mag die best ter discussie worden gesteld. Zeker voor hoogopgeleiden die laat zijn begonnen met werken.

De vergrijzing vraagt niet alleen om een hogere arbeidsparticipatie van ouderen, maar juist ook van mensen met beperkte kansen op de arbeidsmarkt. Minister van Sociale Zaken De Geus zei kort voor prinsjesdag dat hij na alle ingrepen in de sociale zekerheid klaar is met zijn hervormingsprogramma. Een week later sprak hij in Trouw (22 september) de verwachting uit dat in de nabije toekomst twee miljoen mensen aangewezen zijn op een uitkering. Deze twee uitspraken zijn niet met elkaar te rijmen. Hoe kan De Geus klaar zijn als alle hervormingen in de toekomst twee miljoen kansarmen opleveren?

Het perspectief van juist deze mensen op de arbeidsmarkt heeft te maken met onze arbeidsmarktregels: het rigide ontslagrecht maakt de arbeidsmarkt te inflexibel, het minimumloon zet mensen met weinig kansen buitenspel, en het fiscale stelsel belast arbeid veel te zwaar. Op al deze terreinen zijn hervormingen nodig, en op al deze terreinen dienen links en rechts over de eigen schaduw heen te springen.

Het aanpakken van het dure en rigide ontslagrecht is een stokpaardje van minister Brinkhorst van Economische Zaken. Het kabinet maakte echter een volstrekt ondoordacht plan, dat de Tweede Kamer grotendeels heeft teruggedraaid. Het kabinet wilde de vergoedingen die ontslagen werknemers van hun werkgever krijgen, korten op de WW-uitkering. Met dit voorstel zou de arbeidsmarkt niet flexibeler zijn geworden. Het had werknemers juist gestimuleerd nog eerder naar de rechter te stappen, met nog ingewikkeldere juridische procedures tot gevolg.

Het kabinet heeft geen serieuze analyse gemaakt van het functioneren van de arbeidsmarkt. Te gemakkelijk verwijst Brinkhorst naar de zeer flexibele arbeidsmarkt in Denemarken. Deense werkgevers kunnen een werknemer zonder hoge ontslagvergoedingen gemakkelijk ontslaan. Daardoor kunnen Deense bedrijven beter dan Nederlandse het personeelsbestand aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Bovendien zijn Deense werkgevers minder terughoudend bij het aannemen van nieuwe werknemers. Aan de andere kant, en dat vergeet Brinkhorst, heeft Denemarken een zeer gunstig uitkeringsstelsel. Deense werknemers die hun baan verliezen krijgen een uitkering van negentig procent van het laatst verdiende inkomen voor een periode van maximaal vier jaar. In Nederland is de uitkering zeventig procent en wil je die vier jaar ontvangen moet je minimaal 35 jaar hebben gewerkt.

Een rigide ontslagrecht heeft ook voordelen. Bij vaste contracten investeren werkgevers en werknemers meer in scholing en training. Toch is er reden om het Nederlandse ontslagrecht te versoepelen. Volgens de Frans-Amerikaanse topeconoom Olivier Blanchard is de arbeidsmarkt in de jaren negentig alleen voor de flexwerkers geflexibiliseerd. Politici hebben het niet aangedurfd om het ontslagrecht voor vaste werknemers aan te passen. Daardoor is een tweedeling ontstaan op de arbeidsmarkt, met perverse effecten tot gevolg.

Jongeren, vrouwen en laagopgeleiden hebben een kleinere kans op een vaste baan, omdat werkgevers zich twee keer bedenken alvorens zij een vast contract aanbieden. Vooral de flexwerkers vangen nu de klappen op van de economische recessie. Bovendien krijgen zij nauwelijks mogelijkheden om via training en scholing hun arbeidsmarktkansen te verbeteren. Daarom moet een versoepeling van het ontslagrecht ook op de linkse agenda staan.

Tegenover soepele ontslagprocedures zou naar Deens voorbeeld de WW-uitkering vooral voor jongeren moeten worden verbeterd. Bij een hoge maar kortdurende uitkering, durven werknemers eerder het risico te nemen om zelf eens op zoek te gaan naar een nieuwe werkgever. Ook dat is goed voor de dynamiek op de arbeidsmarkt. Het is opvallend dat een kabinet dat zich druk maakt om de solidariteit tussen jongeren en ouderen, bezuinigt op de WW-uitkering voor jongeren, en de discussie over de WW-uitkering voor ouderen niet aandurft. Juist ouderen gebruiken de WW als alternatieve route voor vervroegde pensionering.

Nog zo'n lastig thema is het minimumloon. Ondanks onderwijs en scholing heeft een groot aantal mensen een te lage productiviteit om het minimumloon voor de werkgever terug te verdienen. Daarom hadden we de gesubsidieerde arbeid en fiscale regelingen om voor werkgevers de loonkosten voor laaggeschoolden en langdurig werklozen te verlagen. Het kabinet schaft al deze regelingen af en vertrouwt op de werking van de private reïntegratiemarkt, maar die biedt geen oplossing voor mensen die ver van de reguliere arbeidsmarkt af staan. Het minimumloon, inclusief belastingen en premies, is gewoon te hoog.

Het simpelweg verlagen van het minimumloon, zoals VVD,CDA en D66 nu voor sommigen groepen voorstellen, is geen oplossing. Werknemers hebben recht op inkomensbescherming. Bovendien moet het voor uitkeringsgerechtigden lonend zijn om werk te aanvaarden. Om werken financieel aantrekkelijk te maken, hebben we in ons belastingstelsel de arbeidskorting. Die is voor iedereen even hoog, maar zou inkomensafhankelijk moeten zijn, omdat juist aan de onderkant het financiële verschil tussen werken en niet-werken groter moet worden. Een inkomensafhankelijke arbeidskorting is zeer goed te combineren met een verlaging van het minimumloon. Dat verlaagt direct de loonkosten voor werkgevers, terwijl het netto inkomen van werknemers wordt beschermd. Zo worden werkgelegenheidsbeleid en inkomensbeleid uit elkaar gehaald. De arbeidsmarkt kan vrij functioneren, maar de overheid garandeert wel een minimuminkomensniveau.

Links heeft moeite heeft met aanpassingen in de sociale zekerheid, maar de rechtse taboes zitten in het fiscale stelsel. Arbeid wordt zwaar belast in Nederland, terwijl sparen fiscaal wordt gestimuleerd. Dat is onhoudbaar in een vergrijzende samenleving die de arbeidsparticipatie wil verhogen. Niet voor niets hameren adviesclubs als de OESO en het IMF op het verminderen van aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek. Dan ontstaat financiële ruimte om de belastingdruk op arbeid te verlichten via lagere tarieven en een inkomensafhankelijke arbeidskorting.

Een rechts fiscaal taboe is ook de AOW-premie. Die wordt alleen betaald door mensen jonger dan 65 jaar. Ligt het niet erg voor de hand om ook de welgestelde babyboomers die binnenkort met pensioen gaan, deze premie te laten betalen? Dat zou werkende jongeren ontlasten en zo een bijdrage zijn aan het in stand houden van ons economisch draagvlak.

Bart Snels is directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks.

maar dan wel in zijn geheel