Het gaat om het oponthoud

Vroeger las ik gehaast. Er viel veel in te halen. Voor mijn geboorte waren al flink wat boeken geschreven en dan duurde het nog eens twaalf, dertien jaar voordat ik ze kon beginnen te lezen. Ik las als een bezetene, zonder aanzien des persoons, ik raasde net zo goed door Harold Robbins als door Jan Wolkers, door Agatha Christie als door Pearl S. Buck. Haar boek The Good Earth was mijn eerste Engelstalige roman, met een Prisma-woordenboekje worstelde ik me er doorheen. Ik hield van boeken over vreemde plekken, in The Good Earth dronken de arme Chinezen warm water, omdat theeblaadjes schaars waren, dat had indruk op me gemaakt.

Eigenlijk is het overdreven te zeggen dat ik van boeken hield over vreemde plekken, als je in Suriname bent, gaan alle boeken over vreemde plekken. Maar hoe vreemder, hoe beter, daarom hield ik meer van boeken over moderne steden dan over tropische oerwouden zoals De Scheepsjongens van Bontekoe. Jungle had ik zelf genoeg om mij heen. Ik verslond The Betsy van Harold Robbins, over mooie vrouwen en snelle auto's. Wij hadden geen snelle auto. Mijn vader bezat een bromfiets.

Maar was het wel lezen wat ik deed? Landschapsbeschrijvingen sloeg ik over, karakterbeschrijvingen nam ik niet bewust in me op, voor gemoedstoestanden had ik geen tijd, het verhaaltje, de verwikkeling, daar ging het om. Het kinderlijke lezen bestaat uit de nieuwsgierigheid naar de ontknoping, de rest is maar oponthoud.

Bij computerspelletjes schijnt het ook vooral te gaan om het uit te spelen, alles daartussenin is oponthoud. Mensen die graag naar sport kijken, zijn in die zin ook kinderlijk: het gaat om de eindstreep, om wie er wint, om hoe het afloopt, de rest is oponthoud.

Als je volwassen bent, gaat het ineens juist om het oponthoud. Om hoe het verhaal een stap terugzet, vooruitblikt, voorspelt. Gerard Reve zei – vraag me niet waar of wanneer – dat de vertelkunst bestaat uit de voorspelbaarheid: geef de lezer het gevoel dat hij de volgende scène had kunnen voorspellen, volwassen mensen houden niet van verrassingen.

Ik haat verrassingen. Dat maakt het leven zwaar, want de meeste vertellers delen de wijsheid van Gerard Reve niet en bieden je de ene verrassing na de andere. Toch hou ik vol dat de volgende scène moet worden verklaard door de vorige. Dat geeft bij sommige vertelvormen problemen. In films bijvoorbeeld gaat het tegenwoordig zo snel, dat je geen tijd krijgt de voorgaande scène uit te denken, omdat er al drie andere op zijn gevolgd.

Mijn lievelingsfilm is Taxi Driver, van Martin Scorsese, uit 1976. Bekijk de film op de video en zet hem na iedere scène stil. Dan begrijp je de noodzaak van de volgende scène. Als Travis Bickle, de hoofdpersoon, op een bepaald moment een .44 Magnum pistool koopt, terwijl de wapenhandelaar het hem afraadt omdat het zoiets is als het lopen met een kanon door de binnenstad, weet je dat het woord .44 Magnum bij hem is blijven hangen wegens de scène daarvóór, waarin een bijfiguur, een blanke man (gespeeld door Scorsese zelf) de zwarte minnaar van zijn vrouw overhoop zegt te willen schieten, met een .44 Magnum. Gemankeerde mannelijkheid en zo, maar die .44 Magnum is voor Travis Bickle ineens noodzakelijk, op een mathematische manier. Taxi Driver is een film volgens de wet van Reve, je ziet niet alleen de film, je leest tegelijkertijd het scenario.

Ik ken maar één Nederlandse schrijver die de wet van Reve zo belichaamt: Arnon Grunberg, die vorige week met De Asielzoeker de AKO-prijs won. Grunberg kun je alleen op de meest onthaaste manier lezen. Vroeger verslond ik een roman in drie dagen, in mijn studententijd las ik drie boeken tegelijk, maar van Grunbergs boeken koop ik nu drie exemplaren. Een voor mijn studeerkamer, een voor op het nachtkastje, en een voor op kantoor. En ik doe er zolang mogelijk over, ik lees langzamer dan Arnon Grunberg schrijft, over de Asielzoeker heb ik precies een jaar en drie weken gedaan.

Je kunt ook niet anders, Grunberg vertelt nauwelijks een verhaal. Zijn critici hebben gelijk dat hij een mooie opbouw heeft en dan het verhaal in een stormachtig eindhoofdstuk laat eindigen, of beter: in de soep laat lopen. Alsof hij ineens genoeg krijgt van de personages die hij zo zorgvuldig gecreëerd heeft, hij raakt verveeld van het spelletje en forceert een eind, zoals sommige jongeren hun computerspelletje beëindigen door hun vrienden de codes te laten verklappen om het laatste stadium te bereiken. En dan floep, boek afgelopen.

Grunberg schijnt dat in zijn laatste boek, De Joodse Messias, te hebben overdreven door niet alleen het boek, maar de hele mensheid te laten aflopen. Maar ik ben nog bezig met de Joodse Messias, ik lees hem zin voor zin, denk en peins en probeer te achterhalen waarom alleen deze formulering van de zin kon, en geen andere.

Neem zo'n zin uit zijn verzameling columns in Grunberg rond de wereld: Eenzaamheid loopt in de gaten. Één: hoe zou je dat anders kunnen zeggen? Eenzaamheid valt op? Dat klinkt niet. Twee: als je het eenmaal zo ziet, zie je overal om je heen eenzamen in de gaten lopen.

Eenzaamheid is Grunbergs thema, het onvermogen contact te maken, het wegzinken in melancholie, de liefdeloosheid en de moeite, al die moeite om dat te verbergen, omdat het zo belachelijk is.

Let bij Grunberg niet alleen op de hoofdpersonen, let op de bijfiguren, zoals Alexandra, de zus van de bazin van de geitenkaasboerderij, die een verweerde huid heeft en op een tak steunt als ze de hond in het donker te eten geeft, terwijl ze gebeden lispelt. Je weet het al, als hij eerder over Alexandra schrijft: Ze steekt de kaars die door de tocht is uitgegaan aan en gaat weer weg. Misschien komt het door haar jurk die in dit licht op een pij lijkt, maar opeens doet Alexandra aan een monnik denken, een monnik die voor vrouw speelt.

Een .44 Magnum van een zin (maar deze laatste zin had u kunnen voorspellen).

ramdas@nrc.nl