Een normaal weekeinde in Irak

De aanslag die zaterdag 49 Iraakse soldaten het leven kostte wijst eens te meer op infiltratie van de veiligheidsdiensten door rebellen. Politie en leger in Irak blijven nog hoogst onbetrouwbaar.

Dit gebeurde er in wat tegenwoordig een normaal weekeinde in Irak is:

Op een afgelegen weg in het oosten van Irak, in de buurt van de Iraanse grens, werden de lijken van 49 Iraakse soldaten gevonden. Ze waren zaterdagavond ongewapend en in burger uit hun trainingskamp op weg naar huis gegaan en in de provincie Diyala overvallen.

De politiechef van de noordelijke stad Arbil werd bij het verlaten van een moskee doodgeschoten.

Bij een zelfmoordaanslag bij een politiebureau in de stad Khan al-Bagdhadi, 170 kilometer ten westen van de hoofdstad, werden 16 politiemannen gedood en 40 gewond.

Bij een zelfmoordaanslag op een controlepost van de Nationale Garde het leger voorzover zich dat met binnenlandse taken bezighoudt in Ishaqi, vlak ten zuiden van Samarra, werden vier gardisten gedood.

Bij een aanval op een konvooi in het noorden van Samarra werden nog eens twee gardisten gedood.

Verder werd onder anderen een Amerikaanse diplomaat gedood bij een mortieraanval in de buurt van het vliegveld van Bagdad en claimden extremisten een Irakees te hebben onthoofd die voor het Amerikaanse leger in Mosul werkte.

Iedereen is in principe doelwit van de guerrillastrijders en terroristen in Irak, maar politie, Nationale Garde en leger vormen speerpunt van het rebellenoffensief. Meer dan 800 Iraakse agenten en militairen zijn inmiddels sinds augustus 2003 bij aanslagen en aanvallen om het leven gekomen.

Als de rebellen met hun geweld beogen de Irakezen af te schrikken van een baan in de nieuwe veiligheidsdiensten, hebben ze vooralsnog weinig succes. De nieuwe rekruten blijven voorlopig wel komen. De werkloosheid wordt geschat op 60 procent, en dit is werk waarmee je je familie kunt onderhouden, voor omgerekend zo'n 150 dollar per maand plus een uitkering van 680 dollar voor de nabestaanden in het geval van overlijden.

Maar verder zijn de aanslagen erg slecht nieuws voor de Amerikanen die voor een ordentelijke terugtrekking uit Irak afhankelijk zijn van de totstandkoming van een betrouwbaar Iraaks veiligheidsapparaat. Met name de aanslag in Diyala wijst er eens te meer op dat wat er inmiddels aan nieuwe politie- en legereenheden is opgebouwd daarentegen buitengewoon onbetrouwbaar is. De soldaten werden niet op goed geluk in een bekend rebellenbolwerk onderschept, maar in afgelegen gebied, wat voorkennis impliceert. ,,Er was waarschijnlijk sprake van samenspanning tussen de soldaten en andere groepen'', zei de adjunct-gouverneur van Diyala tegen het televisiestation Al-Arabiya. ,,Anders zouden de overvallers niet de informatie hebben gehad over het vertrek van de soldaten uit hun trainingskamp en dat ze ongewapend waren.''

Het is geen verrassing: het Amerikaanse weekblad Time schreef vorige maand over een Amerikaans trainingskamp dat onder de mariniers ter plaatse bekendstond als `enige toegestane opleidingskamp voor terroristen'. De Philadelphia Enquirer meldde vorige week dat dat de Iraakse interim-regering al tienduizenden ongeschikte agenten uit de nieuwe politiemacht heeft gezet, maar dat de schoonmaak nog lang niet voorbij is.

Na de val van Saddam Husseins bewind verdween de hele politie in één klap van straat, en de Amerikaanse bestuurder Paul Bremer ontsloeg korte tijd later ook de leden van alle andere veiligheidsdiensten. Vervolgens werden met grote voortvarendheid nieuwe rekruten geworven, een paar weken getraind en, met Bremers lof overdekt, aan het werk gezet. Maar, aldus onderminister voor Nationale Veiligheid Qassim Daoud tegenover de Philadelphia Enquirer, ,,ze [de Amerikanen] begrepen onze cultuur en onze behoeften niet. Ze bleven maar willekeurig Iraakse politieagenten aannemen, zonder hun politieke en sociale achtergrond te controleren.''

Het resultaat was dat de afgelopen maanden bij diverse gelegenheden agenten en soldaten in grote aantallen deserteerden of zelfs de kant van de rebellen kozen, tot en met hoge officieren.

Een voorbeeld temidden van vele: de Iraakse legereenheid die in april in het rebellenbolwerk Falluja ging patrouilleren maar binnen heel korte tijd in het opstandelingenmozaiek opging.

Het Internationaal Instituut voor Strategische Studies in Londen meldde vorige week dat de Amerikanen mogelijk nog wel vijf jaar nodig zullen hebben voor de opbouw van een veiligheidsapparaat dat zonder steun van buitenaf stabiliteit in Irak kan waarborgen.

Tegen de achtergrond van het met elk Amerikaans offensief tegen rebellen groeiende anti-Amerikanisme in Irak is dat voor Washington een erg onplezierig vooruitzicht.