Bijbeltaal

Vorige week belde een televisiejournalist mij met een vraag over de nieuwe bijbelvertaling. Was ik soms tegen die vertaling? En zo nee: wist ik dan iemand die ertegen was?

Zoals bekend verschijnt die nieuwe bijbelvertaling aanstaande woensdag. Ik heb hem nog niet gezien, dus hoe kon ik er dan nu al tegen zijn? En waarom zou iemand er sowieso tégen zijn? Er is ruim tien jaar door honderden deskundigen aan gewerkt, dus men is nogal zorgvuldig te werk gegaan.

Toch verwachtte die televisiejournalist dat er wel tegenstanders te vinden zouden zijn. Waarom? Omdat die nieuwe vertaling onze taal zou kunnen aantasten. Zoals bekend, zei hij, zijn via de Statenvertaling honderden woorden en uitdrukkingen in het Nederlands terechtgekomen. Stel nou dat in die nieuwe vertaling de formulering naar de filistijnen gaan niet meer voorkomt, dan zou die uitdrukking verloren kunnen gaan.

Wat een curieuze misvatting! Maar wel een wijder verbreide misvatting, begrijp ik, want ik heb 'm inmiddels al een paar keer gehoord. Statenvertaling-Nederlands in gevaar, want in de nieuwe vertaling kan het allemaal anders zijn! Die angst wordt aangewakkerd door de aankondiging dat men in de nieuwe vertaling ,,natuurlijk Nederlands'' gebruikt. O gruwel, dat zal toch niet hetzelfde zijn als hedendaags Nederlands! Zo van: ,,Jezus zag 't he-le-maal niet meer zitten, hij voelde zich vreselijk down.''

Vergelijkbare alarmbellen hebben we horen rinkelen toen het Nederlandse geld plaatsmaakte voor de euro. Dat zou toch wel de spoedige ondergang inluiden van het kwartje horen vallen. Plus van al die andere uitdrukkingen met Nederlandse geldnamen. Dat dit niet zo werkt, bleek eenvoudig te weerleggen. We zeggen nog altijd botje bij botje leggen voor `ieder zijn aandeel bijdragen, gezamenlijk de kosten dragen', hoewel de laatste botjes, muntjes ter waarde van een halve stuiver, in de Middeleeuwen werden geslagen.

De hele redenering dat een nieuwe bijbelvertaling het erfgoed van de Statenvertaling in gevaar zou brengen, ontgaat mij. Het is nou niet zo dat de Bijbel sinds 1637, toen de Statenbijbel werd geautoriseerd, niet opnieuw is vertaald. Er zijn sindsdien tientallen vertalingen verschenen, vooral in de 20ste eeuw. De bekendste zijn nu de NBG-vertaling uit 1951, de Willibrordvertaling uit 1981 en de Groot Nieuws Bijbel uit 1983. Is er toen ook geroepen dat daarmee het Statennederlands naar z'n mallemoer zou gaan?

Vast wel. Maar, zoals gezegd, zo werkt het dus niet. Dat de Statenvertaling zoveel invloed op onze woordenschat heeft gehad, komt doordat hij eeuwenlang intensief is gelezen en aangehaald. Dit gebeurde in een tijd dat kerk en religie een centrale plaats innamen in het leven van de meeste mensen.

Dat is nu natuurlijk totaal anders. We zijn ontkerkelijkt én er wordt veel minder gelezen. De nieuwe bijbelvertaling zal door velen worden gekocht, maar door weinigen worden gelezen, zeker niet van A tot Z.

Maar los daarvan: veel van die woorden en uitdrukkingen uit de Statenvertaling zijn allang een eigen leven gaan leiden. Wie beseft nog dat hij de Bijbel aanhaalt als hij zegt je moet niet muggenziften, zo moeder, zo dochter of dat is een lust voor het oog? Trouwens, ook in de Statenvertaling komen helemaal geen muggenzifters voor. We lezen daar slechts, in Mattheüs 23:24: ,,Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt [uitzift], en den kemel [kameel] doorzwelgt.''

Met andere woorden: eeuwenlang lezen uit de Statenvertaling heeft er niet toe geleid dat de Bijbel altijd correct wordt aangehaald. Vaak is een bijbeltekst slechts een bron van inspiratie geweest of heeft men dingen verkeerd begrepen. Daar zijn tientallen voorbeelden van. Dus nee: het gedragen Statennederlands is niet in gevaar. Het is nooit veilig geweest.

Reacties naar sanders@nrc.nl