Bang voor werkdruk, laag pensioen en afbraak van de zorg

Het Sociaal en Cultureel Planbureau ondervroeg de bevolking naar haar verwachtingen en wensen voor 2020. Opvallend is het grote verschil daartussen. Veel mensen zijn bang dat alles minder wordt.

In het zicht van de toekomst heet het zestiende Sociaal en Cultureel Rapport, dat vandaag verschijnt. Hierin wordt op tal van terreinen vooruit gekeken naar het jaar 2020. Dat lijkt ver weg, maar ook 1988 ligt op zestien jaar. De meeste mensen die in 2020 in Nederland wonen, wonen er nu ook al. En verreweg de meeste huizen die er dan staan, staan er nu ook.

In de toekomst kijken is meer dan lijntjes doortrekken. Op lange termijn vinden in de samenleving grote ontwikkelingen plaats die het leven van mensen weliswaar niet volledig bepalen, maar daarvoor wel de randvoorwaarden scheppen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) benoemt vijf van zulke ontwikkelingen: individualisering, informalisering, informatisering, internationalisering en intensivering – de vijf i's. Op elf beleidsterreinen wordt aan de hand van de vijf i's gepoogd greep te krijgen op wat de bevolking de komende zestien jaar te wachten staat.

Daarnaast is in februari aan ruim tweeduizend mensen een hele serie vragen voorgelegd over hoe zij aankijken tegen de samenleving in het jaar 2020. Wat verwachten ze ervan, en wat zouden ze willen? Ook is hun gevraagd naar de verwachtingen over hun persoonlijke omstandigheden in de komende vijf jaar.

De omvang van de bevolking zal de komende jaren verder groeien. Maar veel belangrijker is de toename van het aantal huishoudens. Er komen steeds meer alleenstaanden en eenoudergezinnen – een van de aspecten van individualisering. Hierdoor neemt het aantal huishoudens naar verwachting toe van 7,0 miljoen nu naar 7,9 miljoen in 2020. De consequenties hiervan zijn immens: er zijn 900.000 extra huizen nodig, en er komen waarschijnlijk 2 miljoen auto's bij. Dat gaat iedereen elke ochtend merken.

Op het ogenblik telt Nederland 1,6 miljoen niet-westerse allochtonen. Dat zullen er in 2020 naar verwachting 2,4 miljoen zijn – anderhalf keer zo veel. Hun concentratie in de grote steden zal verder toenemen. Gestaag ontwikkelt zich bovendien een allochtone middenklasse, die haar weg zoekt naar een typische middenklasse woonomgeving. Nederlanders verwachten dat het allochtonen over zestien jaar materieel en structureel beter gaat dan nu. Zo verwacht tweederde dat allochtonen er qua opleiding, werk en inkomen op vooruit gaan en dat meer allochtone vrouwen een baan hebben. Maar tegelijk voorziet een ruime meerderheid toenemende spanningen tussen autochtonen en allochtonen. Driekwart denkt dat er gettowijken zullen ontstaan waar veel mensen niet meer durven komen.

In het afgelopen decennium zijn steeds meer mensen – vooral vrouwen – gaan werken. Deze ontwikkeling zet zich voort. Toch zal er in de structuur van de arbeidsmarkt weinig veranderen, vermoedt het SCP. Ondanks aanhoudende buzz over flexibilisering, ondernemerschap en 24-uurseconomie, is het aandeel flexibele banen, het percentage zelfstandigen en het deel van de werkenden dat buiten reguliere kantoortijden werkt de afgelopen twintig jaar nauwelijks veranderd. Ook het wisselen van baan neemt niet toe. De structuur van de arbeidsmarkt blijkt behoorlijk resistent tegen allerlei sociale veranderingen. Tweederde van de bevolking denkt dat de werkdruk in 2020 is toegenomen. Maar de onderzoekers geloven dat niet: aan het einde van de jaren tachtig is het aandeel werkenden dat te maken heeft met tijdsdruk en burn-out toegenomen, maar sindsdien is het stabiel. Er is onder de bevolking grote weerstand tegen vergroting van het aantal werkuren. Nederlanders hechten meer aan vrije tijd dan aan extra geld.

Het verschil tussen de wensen en verwachtingen van de bevolking is nergens zo groot als bij de sociale zekerheid. Zeventig à tachtig procent verwacht dat de voorzieningen kariger worden, dat men meer eigen verantwoordelijkheid moet nemen en dat de pensioenleeftijd omhoog gaat. Maar een zeer ruime meerderheid wil het huidige voorzieningenniveau handhaven. Men wil eerder vroeger dan later met pensioen. Slechts 9 procent vindt verhoging van de pensioenleeftijd wenselijk – 66 procent verwacht daarentegen dat die omhoog gaat.

Ook in het onderwijs gaapt een kloof tussen wensen en verwachtingen. Men verwacht meer selectie en meer competitie, en een hogere eigen bijdrage van ouders en studenten. Maar slechts weinigen willen dat ook. Bijna de helft – 49 procent – van de bevolking wil de scholen op levensbeschouwelijke grondslag afschaffen, 38 procent niet. De onderzoekers rekenen voor dat het lerarentekort de komende jaren zal groeien, met name in het voortgezet onderwijs. Daar is nu ruim veertig procent van de docenten ouder dan vijftig jaar, en de lerarenopleidingen trekken bij lange na niet genoeg studenten om hen te vervangen.

De zorg is het derde terrein waar burgers de toekomst somber inzien. Negentig procent vreest dat zieke mensen in 2020 veel afhankelijker zijn van hun familie. Eveneens negentig procent vindt dat onwenselijk. Tachtig procent verwacht dat mensen vaker dan nu vereenzaamd en vervuild zullen worden aangetroffen. Nieuwe technieken in de zorg worden welwillend tegemoet getreden. Zo vindt 62 procent invoering van een genenpaspoort wenselijk, en verwacht bijna driekwart dat plastische chirurgie normaal wordt om er beter uit te zien. De onderzoekers geven de bevolking wel enige steun voor haar sombere blik: het zorgaanbod zal achterblijven bij de vraag. In 2020 is er een huisartsentekort van 23 procent, voorspellen ze.

Het terrein waar wensen en verwachtingen van burgers nog relatief dicht bij elkaar liggen is veiligheid. Zeker, men verwacht meer criminaliteit. Maar men verwacht én wenst ook dat er allerlei technische middelen – DNA-analyse, camerabewaking – worden toegepast om daar iets tegen te doen. Vrijwel unaniem wil de bevolking dat geweldscriminaliteit strenger wordt bestraft. Intensivering van de criminaliteitsbestrijding vindt brede steun, zij het dat men sceptisch is over de effectiviteit daarvan. Ruim 80 procent verwacht in de toekomst zelf meer verantwoordelijkheid te moeten dragen voor de veiligheid in de eigen woonomgeving.

Die woonomgeving verandert naar zijn aard – steen en beton – maar langzaam. Te langzaam. Veel mensen komen onvoldoende aan hun trekken op de woningmarkt. Van degenen die in 1963 zijn geboren beschikte 70 procent op dertigjarige leeftijd over een eengezinswoning. Van degenen die in 1971 zijn geboren was dat 56 procent. Inmiddels is ruim een derde van alle gezinnen in huurflats op zoek naar een eengezinswoning, veelal tevergeefs.

Een van de lastigst te voorspellen ontwikkelingen is die op het terrein van informatie- en communicatietechnologie. Die gaan zó hard.

Zestien jaar geleden was de toegang tot internet in Nederland beperkt tot een paar handen vol wetenschappers. Nu is 74 procent van de bevolking online. Voor jongeren tussen 12 en 24 is dit al 96 procent, bleek vorige week uit een Interview NSS-onderzoek. Wel denkt ruim de helft van de bevolking dat een deel in de toekomst niet meer kan meekomen met de informatiemaatschappij. Het is een van de aspecten van de alomtegenwoordige vrees die uit de enquête naar voren komt voor toenemende ongelijkheid in de samenleving.