Zeespinnen behoren definitief bij de spinnen en mijten

Paleontologen van de Universiteit van Oxford hebben met een digitale scantechniek 425 miljoen jaar oude fragiele zeespinfossielen in beeld gebracht. Analyse van de lichaamskenmerken van deze voorouders van de nog altijd in de wereldzeeën levende zeespinnen plaatst deze klasse van in zee levende geleedpotigen (arthropoden) nu definitief binnen het subfylum Chelicerata, waartoe ook spinnen, schorpioenen, mijten, teken en degenkrabben behoren (Nature, 21 okt).

Zeespinnen (pycnogoniden) komen wereldwijd voor in zeeën tot op een diepte van 6000 meter. Er zijn wel 1160 moderne soorten, van een paar milimeter tot 90 cm groot. Fossielen van zeespinnen zijn echter uiterst zeldzaam omdat de dunpotige diertjes zo fragiel zijn dat ze bewaard blijven. Daardoor hebben wetenschappers altijd moeilijk kunnen bepalen waar de zeepspinnen precies zouden moeten worden ingedeeld in de stamboom van het leven. Er waren tot nu toe twee scholen: biologen die de zeespinnen indeelden als zustergroep van alle andere arthropoden (in een eigen subfylum) en wetenschappers die ze bij het subfylum van de Chelicerata plaatsten. De discussie is nu beslist in het voordeel van het laatste kamp.

Dankzij de nu beschreven fossielen die werden gevonden in vulkanische afzettingen uit het Siluur nabij het Engelse Herefordshire denken de onderzoekers nu betrouwbare aanwijzingen te hebben over de afstamming van de zeespinnen. Tot nu toe waren er slechts vier soorten fossiele zeespinnen bekend, waarvan per soort meestal maar enkele exemplaren gevonden zijn. De Britse fossielen zijn van een nieuwe soort, Haliestes dasos, en zijn 35 miljoen jaar ouder dan de oudste eerder beschreven fossiele zeespin.

Haliestes heeft de typische set lichaamskenmerken van een zeespin, zoals een prominente externe proboscis (zuigmond), een sterk gereduceerd lijf, een tot eierdragers gemodificeerd derde paar poten en langgerekte enkelvoudige looppoten. Tegelijkertijd bezit Haliestes ook een goed ontwikkeld eerste paar ledematen (cheliceren) die assisteren bij het verzamelen van het voedsel. Dit laatste is kenmerkend voor alle Chelicerata, en neemt wat de Britse onderzoekers betreft dus alle twijfel over de fylogenetische plaats van zeespinnen weg.

Haliestes leefde op de bodemhellingen van het subtropische Anglo-Welsh Basin en had waarschijnlijk eenzelfde leefwijze als moderne zeespinnen.