Zacht behulpzaam vriendje

Een kobaltblauwe knuffelpop is de spil in een nieuwe lesmethode voor zeer moeilijk lerende kinderen.

DE DR. A. VAN Voorthuijsenschool in Rotterdam is een school voor speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen, een ZMLK-school. In kleine klasjes leren de kinderen (van vier tot twaalf jaar) zich hier spelenderwijs redden in de maatschappij. Alles gaat met hele kleine stapjes en veel herhaling. Naast de gewone vakken als rekenen en taal is er veel aandacht voor sociale vaardigheden. Maar er is één probleem: er bestaat geen lesmateriaal voor dit soort scholen. De afzetmarkt is zo klein dat educatieve uitgevers er geen brood in zien. En dus komt alles aan op de inventiviteit van de docenten: het betere knip- en plakwerk. ``Dat lukt allemaal wel'', zegt leerkracht Miriam Bongers, ``maar je loopt het risico dat je alles heel versnipperd aanbiedt''.

De kapstok ontbreekt. Daar komt bij dat de Onderwijsinspectie ook hier steeds meer vraagt om een planmatige aanpak van het onderwijs: hoe werken jullie naar de kerndoelen toe? (voor het ZMLK-onderwijs zijn de kerndoelen van het reguliere basisonderwijs aangepast). Ofwel: wat wil je met je leerlingen bereiken en hoe? Met die vraag gingen Rotterdamse ZMLK-scholen vier jaar geleden naar het Pedologisch Instituut (PI) van de CED-Groep (Centrum Educatieve Dienstverlening) in Rotterdam.

En zo begon een intensieve samenwerking die heeft geleid tot de eerste op het ZMLK-onderwijs toegespitste leermethode voor sociale vaardigheden: STIP, Sociale Training in Praktijk. Het is dinsdagmorgen, half tien. Elf kinderen zitten in een kring rondom een kartonnen huis. `Het huis van Ies' staat er op. De deur staat op een kiertje. Gewapend met twee verrekijkers begint juf Miriam Bongers de les. ``Ies, ben je thuis?'', vraagt ze. Geen antwoord. ``Gaan jullie eens helpen met roepen'', zegt ze tegen de kinderen van tussen vijf en zeven jaar oud. ``Ies, ben je tuihuiuis!'', roepen ze heel hard. Geen antwoord. Ook door de verrekijkers zien de kinderen niets dat op Ies lijkt. Dan mag Omar gaan zoeken. ``Met je ogen en met de verrekijker'', zegt juf Miriam. Verlegen loopt Omar de klas in. ``Daar'', roept hij. Ies zit in de poppenhoek, met een koptelefoon op. ``Die Ies'', zegt juf Miriam en ze haalt hem de kring binnen.

`Ies' is de spil van de eerste twee delen van STIP, vertelt projectleider Lisette Ligtendag van het PI. ``Deze kinderen staan pas open voor leren als ze iets heel intens kunnen beleven. `Ies' kan ze daarbij helpen. Hij moet een echt vriendje voor ze worden. Als je dan als docent een toneelstukje maakt met Ies, dan heb je ze beet.''

Over `Ies' is uitgebreid nagedacht door de makers. Zijn naam bijvoorbeeld: `Ies' is een klank die de meeste kinderen kunnen uitspreken. En over zijn vorm, die eenvoudig moest zijn: het is een koppoter. Knuffelzacht, makkelijk beet te pakken en opvallend kobaltblauw. Gaandeweg de twee jaar dat de kinderen met Ies werken krijgt hij een lijfje en armen en benen. ``Zo krijgen kinderen besef van hun eigen lichaam'', aldus Ligtendag. Zijn mond en ogen worden er met klittenband opgezet en kunnen verschillende emoties weerspiegelen.

Juf Miriam heeft het vandaag over kijken met je ogen en voelen met je handen. Met Ies in haar hand, als een poppenkastpop, zegt ze met haar `Ies-stem': ``Ik weet een leuk spelletje. Juf Miriam, achter jouw stoel staat een plastic zak met spullen. Kijk maar.'' Juf Miriam kijkt: ``Ik zie niks, Ies.''

``Nee, aan de andere kant, oliebol!'' De kinderen komen bijna niet meer bij. Oliebol! Uit de zak komen verschillende voorwerpen: een schaar, een vork, een beer, een auto, een beker. Om beurten mogen de kinderen met hun ogen dicht één voorwerp voelen en raden wat het is. Als iedereen is geweest, zegt Ies: ``Ik vond het heel leuk. En nu ga ik weer slapen.'' Ies mag twee dagen slapen, later die week wordt het lesje `voelen' herhaald en volgende week zal Ies weer iets nieuws introduceren.

De lessen voor STIP zijn uitgebreid getest in de klassen en suggesties van de docenten zijn meegenomen in de uiteindelijke versie. ``Soms moesten de stapjes nog kleiner, de lessen nog eenvoudiger'', geeft Miriam Bongers aan. Zij vindt STIP een heel prettige methode. ``Het is geen keurslijf. Je kunt creatief bezig zijn. Ies spreekt de kinderen enorm aan en daardoor beklijft wat ze leren beter. Ook omdat er steeds een koppeling wordt gemaakt tussen wat ze geleerd hebben en de praktijk.'' In iedere les worden namelijk suggesties gegeven hoe docenten het geleerde kunnen invlechten in het dagelijkse leven. Bij de les over gevoelens bijvoorbeeld wordt aanbevolen een spel te spelen en daarbij in te gaan op hoe de kinderen zich voelen als ze laag gooien met de dobbelsteen, of juist hoog. En of ze dat bij elkaar ook kunnen zien.

Een van de problemen binnen het ZMLK-onderwijs is het grote niveauverschil tussen de leerlingen in één klas. Ligtendag: ``STIP gaat wel uit van een klassikale aanpak, maar daarbinnen kun je variëren. Iedere les heeft één doelstelling, die `het gemiddelde' weergeeft. Bijvoorbeeld: kunnen vertellen of een andere leerling zich boos, blij of verdrietig voelt. Bij de ene leerling ben je als docent met het gemiddelde tevreden, maar bij een ander weet je dat je meer, of minder, kunt verwachten. Dat kun je aangeven in het scoreformulier dat bij de methode hoort. Verder hebben we in iedere les suggesties voor leerlingen met autisme en ADHD.''

Van STIP zijn vorige maand de eerste vier delen (voor vier leerjaren) verschenen. De eerste twee jaar heeft `Ies' de hoofdrol, daarna is het `Lepelland', waarin gewerkt wordt met houten pollepels. ``Zo wordt het steeds iets minder concreet'', aldus Ligtendag, die nu bezig is met de ontwikkeling van deel vijf. Naar verwachting zullen de delen vijf en zes aankomend voorjaar worden uitgebracht. Volgend schooljaar verschijnen de laatste delen, zeven en acht.