Verkleinde maag noopt de kanoet tot garnalen eten

Kanoetstrandlopers hebben een zwaar gespierde maag die hen in staat stelt de in zijn geheel ingeslikte schelpdieren te kraken. De steltloper bespaart op zijn vlieggewicht door vlak voor de trek zijn maag te verkleinen. Dat is voordelig voor de langeafstandsvlucht, maar het beperkt de vogel tegelijkertijd in zijn menukeuze, omdat de verteringssnelheid afneemt. Dat concludeert gedragsecoloog Jan van Gils die vrijdag in Groningen op dit onderwerp promoveerde.

Voor de kanoetstrandloper (Calidris canutus) is de Wadddenzee een belangrijke fourageerplek ter voorbereiding van trekvluchten van en naar Arctische broedgebieden en overwinteringsgebieden. De in West-Afrika overwinterende canutus-ondersoort maakt alleen een `pitstop' in het Waddengebied als er voldoende zachte schaaldieren liggen. De ondersoort islandica overwintert in de Nederlandse Waddenzee.

Van Gils was benieuwd wat de invloed was van de snelle maagverkleining (in 1 tot 3 weken neemt het gewicht van dit orgaan soms wel met de helft af) op het gedrag en de overleving van de vogels. Met echoscopie kon hij de maaggroottes schatten van levende vogels. Van Gils nam de maaggrootte op van wilde kanoeten en rustte hen uit met radiozenders om hun handel en wandel goed te kunnen volgen. De vogels die hij zenderde bleken verschillende maaggroottes te hebben, een effect dat Van Gils toeschrijft aan het verschil in aankomsttijd op het wad.

Kanoeten met een grote maag, die dus al wat langer op het wad bivakkeerden, bezochten in het najaar vooral schelpdierplekken (met veel kokkels en nonnetjes). Maar vogels met een kleine maag dus net aangekomen hadden juist een voorkeur voor schaaldierplekken (met garnalen en krabbetjes). Het wad bevat veel meer schelp- dan schaaldieren en het kost dus relatief veel tijd die laatste te vinden. Vogels met een relatief zwakke maag kunnen schelpdieren slechts langzaam verteren en daardoor loont het voor hen toch om te zoeken naar de hoogwaardige maar schaarse garnalen en krabben.

Kanoeten met de kleinste magen bleken ook langer te foerageren: wel 16 tot 17 uur per dag op het wad, terwijl soortgenoten met de grootste magen minder dan 12 uur per dag met voedselzoeken bezig waren. Volgens Van Gils kan het opraken van schelpdieren een belangrijke rol spelen in de regulatie van kanoetenpopulaties. In jaren met kwalitatief slechte prooien vingen de onderzoekers slechts vogels met grote magen. Dit bleek geen aanpassing aan de omgevingssituatie, maar was een gevolg van het feit dat vogels met lichte magen de Waddenzee verlieten.

Van Gils wijst de mechanische kokkelvisserij aan als directe oorzaak van de waargenomen afname van de prooikwaliteit. Op plekken die het vaakst bevist waren bleek de kwaliteit van kleine kokkeltjes het hardst achteruit gegaan (35 %), terwijl de kwaliteit gelijk bleef op nimmer beviste plekken.