Surinaamse klap

OP DE ALBERT Cuypmarkt liep een donker jongetje van een jaar of drie met dikke tranen in de ooghoeken om zijn moeder te roepen. Ik ben zo'n type dat omgevallen fietsen rechtop zet en in de tram opstaat voor bejaarden, dus ik bekommerde me om het kind. `Ben je mama kwijt?' Hij was vol vertrouwen. `Ja, ze is weg.' Het grote huilen leek te gaan beginnen. `Weet je wat, ik til je heel hoog op en dan kun je kijken of je haar ziet.' Ik tilde hem boven mijn schouders. Hij zag haar niet. `Hoe ziet mama eruit?' Die vraag was te moeilijk. `Welke kleur jas heeft ze?' `Blauw.'

Het ventje sprak goed en was perfect gekleed. Surinaamse Nederlander, dat kon niet missen. Ik keek dus om me heen naar Surinaamse vrouwen. Er kuierden er vele tientallen op de markt rond. Geen potentiële moeder diende zich aan. Ik overwoog wat ik kon doen. Politie? Rondvragen? `Hoe heet je?', vroeg ik het kereltje dat mij als een natuurverschijnsel accepteerde. `Stanley.' Opeens stond ze voor me, de zwarte moeder in haar blauwe jas, jong, slank, hoogbenig in een strakke spijkerbroek. Ze keek me niet aan, maar gaf Stanley een ferme klap. `Je moet goed opletten waar ik loop en bij me blijven, hoor je me.' Stanley huilde niet, ik zag alleen een soort trieste ingetogenheid over hem heen komen. Ze pakte hem bij de hand en zonder me te bedanken beende ze weg.

Ik bleef perplex achter. Niet dat ik er niet tegen kan als een goede daad geen waardering krijgt. Het was de totale afwezigheid van enige opluchting bij de moeder die me verbaasde. Elke Hollandse moeder had het kind eerst geknuffeld, en had het daarna haar excuus aangeboden omdat zij haar pronkjuweeltje uit het oog verloren had. De schuld ligt bij de moeder, zouden Hollandse opvoeders zeggen. Nee, had de Surinaamse me door haar gedrag duidelijk gemaakt, het kind moet opletten en zijn moeder volgen. Waar komt zo'n verschil nu vandaan?

Het Surinaamse matriarchaat verwent haar zonen, hoor je altijd. Aan de meisjes worden hoge eisen gesteld en die worden in een keurslijf geperst van verboden en geboden, maar de jongens zijn prinsjes waarvoor de vrouwen zich het vuur uit de sloffen lopen. En toch: Stanley kreeg een pets zoals ik me die alleen maar van veertig jaar geleden herinner, van mijn rechtlijnige roomse ooms als die hun dochters op het deugdzame pad wilden houden. Mijn vader mepte ook. Als we ongevraagd van de rijpe kersen uit de boom aten, als we een bord kapot lieten vallen, als we scheldwoorden gebruikten.

Ik begrijp het helemaal dat ouders wel eens een tik willen geven. Ik heb het één keer gedaan bij mijn dochter. Ze zat nog niet op de basisschool, dus ze zal net als Stanley een jaar of twee, drie zijn geweest. Ze vroeg om een boterham met pindakaas. Toen ik die klaargemaakt had, zei ze dat ze deze niet wilde, maar een boterham met kaas. Ik kiepte het bordje schaamtevol om in de vuilnisbak, denkend aan Afrika en India en aan hardwerkende bakkers en graanboeren, en maakte een nieuwe boterham. `Nee,' zei ze, `deze ik wil niet. Ik wil een boterham met hagelslag.' `Deze eet je nu op. Je krijgt geen andere meer.' Daarop pakte ze in een vlaag van vernietigingsdrift de kaas van het brood en verkruimelde die demonstratief in haar handjes, mij boos en uitdagend aankijkend. Ik gaf haar een mep. Nog steeds voel ik de tinteling van mijn hand als ik eraan denk en schaam me. Daarna heb ik het nooit meer gedaan. Mijn dochter deed het daarna trouwens ook niet meer, kaas verkruimelen.

Stanley kreeg de klap, niet omdat hij onuitstaanbaar was, maar omdat hij zijn moeder kwijtgeraakt was. Dat is dus de boodschap voor hem: altijd je moeder in de gaten houden. Je kunt je voorstellen dat het nog een relict is uit vroegere tijden. De zwarte Surinaamse Nederlanders zijn afstammelingen van de slaven, die tot diep in de negentiende eeuw aangevoerd werden vanuit Afrika.

Kinderen hadden alleen maar een kans te overleven als zij hun ouders in de gaten hielden, zowel in Afrika als op de plantages. De ouders hadden hun handen vol om te vechten voor wat voedsel, en daarbij konden ze niet ook nog eens op hun kinderen letten. Volgen was kinderverantwoordelijkheid, en daar werden ze vroeg in getraind, desnoods met klappen. Misschien redeneer ik veel te naïef en mijn beeld zal wel vertekend zijn door sentimentele jeugdboeken zoals De negerhut van Oom Tom, de film Amistad of de aangrijpende documentaire Katibo ye ye. Maar hoe krijg ik die klap van de jonge moeder anders verklaard?

De ogen van Stanley na de klap deden me denken aan die van de hoofdpersoon in Katibo ye ye. `Katibo' is het woord voor slavernij, `ye' wil zeggen: geest of ziel. De slavernij zit nog steeds in de geest van de Surinamers, dat is wat de regisseur Frank Zichem ermee wilde overbrengen. Ze zijn nog steeds geketend door wat er gebeurd is, al zijn hun lichamen vrij. Een Surinaams-Nederlandse onderwijzer, Clarence Breeveld, reist in de documentaire naar Ghana, naar de plaatsen waar zijn overgrootouders vandaan komen. Het gaat hem niet zozeer om het achterhalen van zijn Afrikaanse wortels, als wel om de confrontatie met de rol van de Ghanezen zelf bij de slavenhandel. Hij wordt gekweld door de vraag hoe broeders hun broeders hebben kunnen verkwanselen. Dat de Nederlanders en de Engelsen onmenselijk handelden, is voor hem verdraaglijker dan de jacht van de Afrikanen zelf op hun stamgenoten.

Clarence bezoekt samen met een Ghanese gids de plaatsen waar de schande zich afspeelde. Hij ontmoet de oudste vrouw van een buurt, zo oud dat ze haar leeftijd niet weet. Haar vader heeft zelf nog slaven gehad en zij toont de boeien die haar vader gebruikte. Hij wordt bij een verteller gebracht, die het verhaal van de Afrikaanse slaven zingzegt. Dan gaat Clarence naar de Ashanti, die in de binnenlanden leven waar de oude herinneringen nog levend zijn. Hier hoopt hij te achterhalen wat de waarheden achter de inheemse slavenhandel zijn.

De beelden laten zien hoe hij bij de koning van de Ashanti op audiëntie gaat, die te voorschijn komt in het traditionele gewaad. De stamoudsten volgen hem. Ze worden tegen de zon beschermd door parasols, gedragen door aparte bedienden. Er staan witplastic stoeltjes in een kring klaar en daarop nemen het stamhoofd en zijn oudsten plaats. Clarence confronteert de koning met zijn zielepijn. Er volgt een uiterst dramatisch gebaar. De koning biedt Clarence als genoegdoening een stuk land aan. Het is een ongelooflijk spannend moment. De Surinamer is niet op vergoeding uit, hij wil slechts verklaringen. Tegelijk erkent de koning de schuld en het aandeel van de Ashanti in de slavenhandel. Hij interpreteert de tocht van Clarence naar Ghana echter niet als een erezaak, maar als een westerse economische kwestie, en dus denkt hij de Surinamer af te kunnen kopen. De documentaire krijgt op dit moment een complexe en veellagige schoonheid die meestal alleen in literatuur voorkomt.

En dat is nog niet het mooiste moment van de documentaire. Dat vindt plaats in Suriname. Clarence nodigt zijn Ghanese gids uit om mee te gaan naar Suriname en daar de Marrons te bezoeken. Dat zijn Afrikaanse negers die voor de slavenhandel bestemd waren, maar die ontsnapt zijn, en zich in het oerwoud gevestigd hebben. In het oerbos houden ze de oude Ghanese tradities in ere.

Clarence en de gids varen naar de nederzetting. Tot dan toe heeft de gids steeds het voortouw genomen bij alles. Zelfs in Suriname was hij zelfverzekerd. Hij wees in Paramaribo op herkenbare Afrikaanse invloeden, hij somde de feiten van de slavenhandel feilloos op uit zijn geheugen. Bij de Marrons raakt hij zijn branie kwijt. Het opperhoofd verwelkomt het bezoek uit Afrika in zijn eigen taal, maar het is een onbedorven taal die de gids niet meer kent uit Ghana. De hartelijkheid is bedwelmend. `Je bent welkom, mijn huis is jouw huis, wat van mij is is van jou.' De cultuur van de Marrons is een oerversie die in Ghana al verdwenen is. De broeders uit Afrika omarmen elkaar in Suriname. In deze omarming vindt Clarence de loutering waarnaar hij op zoek was.

De toeschouwer zag met Clarence even de verzoening van het verleden van Ghana, Nederland en Suriname. Stanley's klap op de Albert Cuyp is er een teken van dat de drie lagen meestal gescheiden zijn.