Seksisme, onbeschoftheid en ongerijmdheden in de nieuwe bijbelvertaling: hoe God van zijn naam werd beroofd

De naam die in de nieuwe bijbelvertaling voor God wordt gebruikt, druist in tegen de oorspronkelijke taal zelf en negeert een cruciale tekst uit de Hebreeuwse bijbel.

De Nieuwe Bijbelvertaling die over een paar dagen verschijnt, is een mijlpaal die aandacht verdient. Een nieuwe versie was wel nodig, want de meest verspreide vertaling in omloop, die van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951, bezigt Nederlands dat vrijwel geheel uit de periode van voor de oorlog stamt en als verouderd moet worden aangemerkt, zeker voor de jongere generatie, en zeker voor de mensen die (anders dan u en ik) echt 21ste-eeuwers zullen zijn. Ik wil de Willibrordvertaling niet onvermeld laten, maar die circuleert alleen bij het rooms-katholieke volksdeel.

Je kunt verwachten dat een nieuwe bijbelvertaling stof doet opwaaien bij zijn verschijnen. De taal is vloeiend hedendaags Nederlands en zeer geschikt om voor te lezen. Maar vele van de beoogde gebruikers hebben zo hun stokpaardjes en voorkeuren, of zijn vergroeid geraakt met bepaalde formuleringen. Miljoenen mensen zijn vertrouwd met woorden als: ,,Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren.''

Wie een nieuwe vertaling maakt, kan dat niet klakkeloos overschrijven. In het Onze Vader van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is het zó geworden: ,,Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was''. Je mag vrezen dat deze weergave allerlei geween en geknars der tanden zal oproepen, louter omdat hij het waagt anders te zijn.

Het zal even wennen zijn. Mijn voorlopige indruk, gebaseerd op de mogelijkheid enige maanden te grasduinen in de vertaling dankzij een cd-rom die een van de begeleiders mij ter beschikking heeft gesteld, is dat de nieuwe bijbelvertaling drie stappen vooruit betekent en twee achteruit. Ik zal mij nu beperken tot één van die twee stappen achteruit: de weergave van de godsnaam.

Dit is natuurlijk een essentieel element in de vertaling, een kwestie die één van de gevoeligste plekjes van kerkvolk en theologen raakt. Maar in de Nieuwe Bijbelvertaling zijn op dit punt verkeerde keuzes gemaakt. De leidende principes in dit grote project, dat tien jaar heeft geduurd en waaraan ruim twintig kerkgenootschappen hebben meegewerkt, zijn vaak samengevat met de sleutelwoorden `brontekstgetrouw' en `doeltaalgericht'. Maar de manier waarop de godsnaam is vertaald, is direct in strijd met dat eerste beginsel.

De NBV vermijdt het schrijven van de eigennaam van God door HEER te noteren en handhaaft domweg deze vier hoofdletters die ook in de derde editie van de Willibrordvertaling, uit 1995, en in de vertaling uit 1951 staan. Dat getuigt van gebrek aan moed en nuchterheid, en is ook nog warhoofdig en onzuiver. Men heeft de weg van de minste weerstand genomen: wat goed was voor opa, is ook goed voor mij.

De echte naam van God luidt `Jahwè' (omwille van de klank schrijf ik dit één keer met een accent grave). Dat deze eigennaam recht van bestaan heeft wordt al gauw duidelijk, als ik hem in drie contexten van primair belang plaats: de taal zelf, de namenvoorraad van de Hebreeuwse bijbel (het zogeheten onomasticon), en een cruciale tekst eruit.

De naam jahwe is een kerngezonde taalvorm die zich strikt houdt aan de regels van klank- en vormleer en ,,Hij doet zijn'' betekent. Het is een imperfectum (derde persoon mannelijk enkelvoud) van een groep zwakke werkwoorden die in sommige posities hun lange slotklinker laten vallen. Als we dat op jahwe toepassen, krijgen we jahw. Zodra je deze vorm probeert uit te spreken, kom je vrijwel automatisch uit op de vorm jáhoe (internationale spelling: yahu). Raak! Dit is de vorm die honderden malen in de eigennamen van mensen staat als tweede helft. Je krijgt dan Eli-jahoe, Adoni-jahoe, Jesja-jahoe. Meestal worden deze vormen nog iets ingekort, wat de bekende spellingen Elia, Adonia, Jesaja oplevert.

Daarmee belanden we in context nummer 2: het onomasticon. De bijbel is een boek van tienduizend namen, een ware schatkamer. De wereld van de Oudheid was uiterst religieus, en de meerderheid van de eigennamen weerspiegelt dat. Zij zijn de geloofsuitspraak van ouders die zojuist een kindje hebben gekregen. Zij zeggen dan bijvoorbeeld ,,Jahwe heeft [ons dit kind] gegeven'' (Netanyahu), of ,,God is [ons] genadig geweest'' (Chanan-El). Deze namen zijn een volledig en werkwoordelijk zinnetje, en je kunt de volgorde van onderwerp plus gezegde ook omdraaien. Dan wordt jahoe soms jeho-, maar veel vaker jo-, nog korter dus; we herkennen Jonathan, Elchanan. Namen als Joab en Joël zijn een compleet naamwoordelijk zinnetje, ze zeggen respectievelijk ,,Jahwe is [mijn hemelse] vader'' en ,,Jahwe is [de ware] God''. God (korte vorm: El) is als onderwerp in zulke naamgeving zo vanzelfsprekend dat hij vaak wordt weggelaten. De namen Isaak en Jakob zijn ook werkwoordsvormen in het imperfectum, en hebben El als virtueel subject: ,,hij lacht [ons kindje toe]'' en ,,hij bescherme''.

Het grote aantal namen heeft de vertalers een extra klus bezorgd: hoe moet je namen transcriberen? Semitische talen als Hebreeuws en Arabisch hebben een reeks medeklinkers die wij niet kennen. De zoon van Abraham is jits-chaaq, maar deze zorgvuldige transcriptie is natuurlijk erg onpraktisch, en dus heet hij in de vertaling uit 1951 Isaäc en tegenwoordig Isaak. Begrijpelijk. Bij de nieuwe bijbelvertaling hebben de vertalers een lange namenlijst als leidraad gebruikt. Men heeft geen moment overwogen te gaan prutsen en friemelen aan persoonsnamen, en zo heeft iedere drager van een eigennaam in het boek van de tienduizend namen een keurige behandeling gekregen. Maar vreemd genoeg is daar één uitzondering op gemaakt: de eigennaam van die persoon die door de gelovigen als hun Heer wordt beschouwd. Die moest worden opgespoord, weggevaagd en ausradiert. Ik kan daar geen touw aan vastknopen.

Bij het derde argument voor `jahwe' als de godsnaam moet ik eerst even stilstaan bij het feit dat de makers van de nieuwe bijbelvertaling gelovigen zijn, in grote meerderheid aanhangers van het christelijk geloof.

Een gelovige is ervan overtuigd dat woorden als `God' of de naam van God verwijzen naar een entiteit, ja een persoon, in de buitentalige, buitentekstuele werkelijkheid. Het doet er niet toe of zo'n overtuiging nu amusant, doodziek of waar is: de nieuwe bijbelvertaling verdient het op haar eigen merites te worden beoordeeld en van de beleidsmakers erachter mag rekenschap worden gevraagd volgens hun principes en pretenties.

Met deze benadering kijk ik nu in hoofdstuk 3 van het boek Exodus, het verhaal waarin God aan Mozes de opdracht geeft de Israëlieten uit de Egyptische slavernij te leiden. De verzen 13-15 luiden in de nieuwe vertaling:

Maar Mozes zei: ,,Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: `Wat is de naam van die God?' Wat moet ik dan zeggen?'' Toen antwoordde God hem: ,,Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: `IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd'.'' Ook zei hij tegen Mozes: ,,Zeg tegen hen: `De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.' ``

God, voor de vertaler dus heel veel meer dan een taalteken, een woord, doet hier minstens drie belangrijke dingen met zijn eigennaam. Eén: hij openbaart hem maar de nieuwe bijbelvertaling is machtiger dan God en vernietigt hem. Twee: God geeft er meteen uitleg bij die is door de nieuwe bijbelvertaling duidelijker gemaakt dan de grondtekst toestaat. Drie: God geeft ook een toepassing in de actualiteit, door opnieuw `zijn' te gebruiken en enige malen te zeggen: ,,Ik zal met jullie zijn''; hij zegt effectieve steun toe aan een volk in grote nood - zie verderop Ex. 4:12 en 15.

De uitspraak ,,Ik zal er zijn'' is ondubbelzinnig Nederlands, uit het leven gegrepen. Wie een belletje van de sportclub krijgt: ,,Zeg, kun jij aanstaande zaterdagmiddag om half vier bij de efjes fluiten?'' antwoordt met: ,,Ik zal er zijn.'' In de nieuwe bijbelvertaling is die zin in de mond van God niet goed; het woordje `er' suggereert een duidelijkheid die er in het origineel niet is. Zo dringen de vertalers ons hun duiding van de passage op, en dat is hun taak niet.

De vorm van herhaling die in vers 14 wordt gebruikt, valt goed te vergelijken met Que sera sera (de titel van een liedje). De herhaling heeft hier een speciaal effect: het is de paradox van een precieze vorm die juist onbepaaldheid overbrengt en onzekerheid schept. In Exodus 3:14-15 moet de spreker aan Mozes iets geven waarmee de man kan aankomen bij de zijnen, maar tegelijk wil hij raadselachtig blijven en geen naam prijsgeven die inzicht in zijn identiteit verschaft. Om met Richteren 13:18 te spreken, Zijn naam is te wonderlijk. Dat wil ongeveer zeggen: het wezen van God gaat het verstand verre te boven en zijn identiteit mag geen prooi van manipulerende stervelingen worden. In Genesis 32:29 (de scène van Jakobs worsteling met een geheimzinnige nachtgedaante) wilde hij zijn naam ook al niet kwijt en pareerde hij de nieuwsgierigheid van Jakob met een retorische vraag, bijna plagend. Ik zou de befaamde herhaling in Ex.3:14, ehjè asjer ehjè, daarom met opzet vager hebben gehouden dan de nieuwe bijbelvertaling, met de simpele (geenszins nieuwe) weergave ,,Ik ben die ik ben''. Dat is bovendien korter en krachtiger.

Ook voor deze passage bestaat overigens een vrije vertaling die knap gevonden is. Vers 14 als geheel luidt in het grondige commentaar op Exodus van Cees Houtman: ,,Toen antwoordde God Mozes: `Wat doet het er toe wie Ik ben', en Hij liet er op volgen: `Aldus moet jij de Israëlieten antwoorden: Ik ben heeft mij tot jullie gezonden'.''

God openbaart zijn naam, maar die sneuvelt in de censuur van de nieuwe bijbelvertaling. De beleidsmakers hadden kennelijk het derde van de Tien Geboden niet paraat, te vinden in Exodus 20 en Deuteronomium 5. Het derde gebod luidt: ,,Gij zult de naam van Jahwe uw God niet ijdellijk gebruiken, want Jahwe zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdellijk gebruikt.''

Het is nu volkomen duidelijk: de pundits van de NBV niet de vertalers zelf, zij waren slechts uitvoerders zijn diep ongehoorzaam aan God, hun eigen Heer die meer dan een taalteken is. Oei. En ze waren nog zo gewaarschuwd! In de jaren '90 zei een van de begeleiders van het project, de romanist Dr. L. Wierenga uit Groningen, al glashelder: een eigennaam vertaal je niet! Ik voeg er aan toe: vervangen is helemaal te dol.

Er is iets eigenaardigs aan de hand met eigennamen. Ze zijn tegelijk vol en leeg van betekenis. Op de werkvloer staan we er niet bij stil als onze collega's Van der Pelt, Lagendijk, Vreeman of Leurink heten, en toch is hun naam onmisbaar. Juist als lege chiffre zijn ze nuttig en onvervreemdbaar.

In de bijbelse sfeer is een eigennaam het belangrijkste teken en symbool van de identiteit van de drager. De naam Jahwe komt ongeveer 6.800 maal voor in de bijbel, als hoogstpersoonlijk signaal van de God van Israël. In de allereerste vertaling, in de tweede eeuw voor Christus door de joodse gemeenschap in de Nijldelta gemaakt in de lingua franca van de hellenistische wereld, het Grieks, verving men Jahwe door kurios, het woord voor heer. Duizend jaar later brachten de rabbijnen klinker- en accenttekens aan in de Hebreeuwse bijbel en lazen Adonai, `mijn Heer'.

Het gebruik van deze twee woordvormen verwijst dus niet zozeer naar de oudtestamentische brontekst, die gemiddeld 2500 jaar oud is, maar vooral naar de receptiegeschiedenis ervan. Het zijn voorbeelden van tekstgebruik die dateren van na de voltooiing van de canon (de Hebreeuwse heilige schrift), die de facto in het begin van de tweede eeuw voor Christus haar beslag kreeg.

Nu de NBV de vervanging voortzet, handelt zij in strijd met haar eigen leidraad om `brontekstgetrouw' te zijn.

Het verdonkeremanen van de eigennaam is een regelrechte aanslag op de identiteit van God. De weergave met HEER is sexistisch, autoritair, ideologisch belast, eigenmachtig en ongerijmd; als vervanging van de eigennaam is hij ook nog onbeschoft. Voor de meerderheid van de lezers in de 21ste eeuw zal het ongenietbare woord steeds meer een struikelblok worden.

Tot slot een klein vraagje: hebben de beminde gelovigen eraan gedacht de eigenaar van zijn naam om toestemming te vragen voor het schrappen?

Oud-docent Hebreeuws en Aramees aan de Universiteit Leiden (1963-2001). Hij publiceerde in 1981-93 een vierluik over Hebreeuws proza, en in 1998-2004 een vierluik over Hebreeuwse poëzie. Voor lezers zonder bijbelse grondtalen schreef hij `Vertelkunst in de bijbel' en `Dichtkunst in de bijbel'.

De bijbel aan flarden: pagina 41