`Molen is een dure liefhebberij'

Nederland telt eindeloos veel subsidieregelingen, fondsen en potjes ter ondersteuning van bijzondere projecten. Vandaag: de draaipremie voor molens.

Wie het Brabantse stadje Megen nadert, ziet de Desiré al van verre staan. De molen steekt hoog boven de huizen uit. Sinds mensenheugenis al. Hij dateert van 1874 en kwam zestig jaar later in handen van de familie Van de Camp. ,,Mijn vader was zijn hele leven lang molenaar'', vertelt Wim van de Camp (74) in het kantoortje onder zijn molen.

Hij weet nog dat hij als jongetje moest meehelpen in het bedrijf. Met een kruiwagen haalde hij haver, gerst, rogge en tarwe op bij de boeren en later bracht hij het meel bij hen terug. ,,Het was bij ons thuis keihard werken, vooral voor onze vader. Als er overdag geen wind was en het ging 's avonds waaien, dan maalde hij zelfs 's nachts. Bittere noodzaak, want er moest brood op de plank komen. Ons gezin telde zestien kinderen.''

Toen zijn vader in 1956 overleed, nam Van de Camp de molen over. Maar het werd ,,almaar moeilijker'' om met malen de kost te verdienen. Immers, steeds meer boeren gingen met hun granen liever naar de moderne meelfabrieken, die hun producten met een stoommachine of electrisch maalden. Die waren niet afhankelijk van de wind zoals de molenaars, die wegens deze zware concurrentie in de jaren vijftig massaal met hun bedrijf stopten. Zo ook Van de Camp: ,,Er is tegenwoordig nog maar een handvol molenaars dat commercieel bezig is.''

Van de Camp begon een handel in mengvoeders. Maar hij bleef verknocht aan zijn molen, waaraan hij zo veel ,,bijzondere herinneringen'' bewaarde. Voor geen goud wil hij het rijksmonument kwijt, ook al ontdekte hij dat het aan slijtage onderhevig was. Zo hadden bonte knaagkevers het vele hout van de Desiré aangevreten. Om de kevers te bestrijden liet Van de Camp 1.500 gaten boren, die tweemaal met gif werden geïnjecteerd. De kevers waren dood, maar dat kostte de molenaar wél een flinke duit.

De molen is een dure liefhebberij, zegt Van de Camp. De Monumentenwacht Noord-Brabant schat dat de gemiddelde onderhoudskosten per molen jaarlijks 11.000 euro bedragen. En dat terwijl de molens volgens de provincie economisch gezien ,,zeer onrendabel'' zijn.

Van de Camp weet daar alles van. Inkomsten? In zijn stellingkorenmolen maalt vrijwilliger (en molenaarszoon) Kees van de Wiel, een ex-schooldirecteur, per week zo'n vijftig tot zestig kilo biologische tarwe voor ,,zelfbakkertjes''. ,,De kleine opbrengst is voor Kees, ik verdien er niks aan'', zegt Van de Camp.

Hij zou, vertelt Van de Camp, entree kunnen vragen aan de vele toeristen, die de Desiré 's zomers bezoeken. Maar dat wil hij niet, dat kan hij naar zijn zeggen niet maken, ,,omdat ik al subsidie krijg van de belastingbetalers''.

Hij ontving over 2003 van de provincie 1.970 euro, de maximale `draaipremie'. De hoogte van die premie hangt af van het aantal omwentelingen van de wieken. De Desiré maakte er 757.531 – een van de hoogste aantallen in de provincie, waar ruim honderd molens van de premie profiteren. Van de Camp: ,,Veel draaien levert subsidie op. Maar het kost ook mankracht. Je kunt een actieve molen niet alleen laten.''

Als hij zijn bezoek in de molen rondleidt, vertelt Van de Camp – de kwieke Brabander klimt moeiteloos de 78 smalle treden op – dat de Desiré ,,mankementen'' heeft. Hij wijst op het versleten voeghout, de gigantische balk waarop de kap met de wieken rust. ,,Voor de reparatie daarvan moet de hele kap worden verwijderd. Dat gaat een vermogen kosten.''

Van de Camp heeft bij het rijk vier jaar geleden een begroting ingediend voor een restauratie waarvoor 70.000 euro nodig is. ,,Die begroting is goedgekeurd, er leek een subsidie aan te komen maar het is een lijdensweg geworden. Er is blijkbaar toch geen geld'', verzucht hij.

De Rijksdienst voor de Monumentenzorg zegt dat dat ,,niet helemaal klopt''. Een woordvoerder: ,,Van die 70.000 euro is 65.470 euro subsidiabel. De molenaar heeft theoretisch recht op 60 procent van dat bedrag, ofwel 39.282 euro. Er is dit jaar en in 2005 bijna 22.000 euro voor zijn molen gereserveerd. Er zit nog een fors financieel gat, maar Van de Camp kán een begin maken met de restauratie.''

Ook de provincie komt de molenaar royaler tegemoet, zo blijkt uit de `Uitvoeringsnota Monumenten 2004-2007'. Daarin staat te lezen: ,,Gelet op (...) het bijzondere karakter van dit culturele erfgoed [molens], komt er een provinciale onderhoudsregeling die op effectieve en efficiënte wijze gekoppeld wordt aan de te herziene [te verhogen] draaipremieregeling. Wij gaan daarbij uit van een provinciale bijdrage van ten minste 10 procent in de jaarlijkse onderhoudskosten.'' Voor restauraties is het rijk verantwoordelijk, benadrukt de provincie.

Het zal allemaal best helpen, bekent Van de Camp. ,,Maar er moet nog altijd veel eigen geld bij. Mijn hobby is bijna onbetaalbaar geworden. En wie neemt het straks allemaal over?''

Dit is een serie over bijzondere fondsen, subsidies en potjes. Volgende week: de documentairemaker.