Jeugdzorg 1

Het is niet alleen de bureaucratie die langzaam maar zeker de kwaliteit van de hulp aan de jeugd aan het vernietigen is (Zaterdags Bijvoegsel, 16 oktober), maar ook de positie van gezinsvoogd op zich. Ik geef twee voorbeelden uit mijn eigen werk als gezinsvoogd.

Om een goed oordeel te kunnen vellen over de ontwikkelingsachterstand van een negenjarige jongen wilde ik hem psychologisch laten testen. Natuurlijk mag je als gezinsvoogd deze beslissing niet zelf nemen, maar moet het eerst in een commissie worden besproken. Na vier maanden had deze commissie nog steeds geen beslissing genomen, waarna ik hem uiteindelijk maar zelf bij een Riagg in een andere plaats ben gaan aanmelden. Daar kon hij binnen drie weken onderzocht worden!

Vorig jaar maart meldde ik een tienjarig, minderbegaafd meisje bij een commissie aan. Dit met het verzoek of zij in een instelling kon worden opgenomen. Na vijf maanden denken kwam deze commissie tot een positieve beslissing, maar stuurde de verklaring hierover naar een verkeerd adres. Uiteindelijk duurde het elf maanden voordat de bureaucratie klaar was met de administratieve afwikkeling van deze zaak. Gisteren kreeg ik bericht dat dit meisje, met ADHD, nog zeker drie jaar moet wachten voor zij kan worden opgenomen. Dat betekent dat zij ongeveer een kwart van haar jeugd op de wachtlijst voor goede hulpverlening heeft gestaan.

Ik doe dit werk meer dan 25 jaar en wat mij telkens verbaasd heeft is dat er nauwelijks in bijscholing wordt geïnvesteerd. In de afgelopen paar jaar heb ik een cursus tekstverwerking gehad en werd ik geïnformeerd over de Wet op de jeugdhulpverlening, maar enige bijscholing over bijvoorbeeld de laatste ontwikkelingen in de kinderpsychiatrie heb ik uit eigen zak moeten betalen. Als ik dit niet had gedaan, had mijn kennis over de ontwikkeling van het kind nog op het niveau van 1975 gestaan.

De opvang van kinderen die, bijvoorbeeld, de moordpartij van een doorgeslagen vader in hun gezin hebben overleefd vraagt dat er hulpverleners zijn die het beste geschoold zijn en in een organisatie werken die hen en hun werk centraal stelt, waar zij niet het voorwerp van aansturing zijn en hun tijd verdoen met het invullen van formulieren voor de bureaucratie.