Ik vergeet nooit dat ik in die ogen keek. Heel koude ogen.

`Eigenlijk wil ik er liever niet over praten. Als ik er niet over praat, hoef ik er ook niet aan te denken. Sinds ik anderhalve week geleden deze afspraak met je heb gemaakt, ben ik er weer mee opgestaan en mee naar bed gegaan. Ik wil ook niet zielig overkomen. Ik ben geen slachtoffer. Oké, ik heb dit meegemaakt. Maar ik heb me er doorheen geworsteld. Het gaat nu weer lekker. Ik sta graag in de winkel. Het is mijn leven.

Ik ben hier vierendertig jaar geleden begonnen. Ik had toen twee kleine kinderen. Ik wilde graag een eigen zaak. Dus toen we hoorden dat hier een tabakswinkel vrijkwam, zei mijn man: probeer het maar.

In die tijd was het nog zo dat, als je een zaak over wilde nemen, de directeur van de woningbouwvereniging op bezoek kwam om je te keuren. Ze wilden dan weten of je wel geschikt was om in zo'n mooi buurtje te komen wonen. En het was ook mooi. In de grote stad, dat wel. Maar binnen Rotterdam is Vreewijk een dorp.

Mijn man hield zijn eigen werk in de stomerij en ik ging in de zaak staan. We verhuisden wel hiernaartoe, want het was een winkel met een woning erbij. Het ging meteen heel goed. De zaak werd steeds drukker. In die begintijd kon je nog alle deuren en ramen open laten staan, er gebeurde nooit niks. Dat was de eerste tien, vijftien jaar.

Daarna ging het langzaam achteruit. Het begon met inbraken. In de winkel, maar ook in huis, om via het huis in de winkel te komen. Daarna kwamen de overvallen. De eerste was in 1985. Vanaf dat moment was het bijna elk jaar wel een keer raak.

Ik heb negen overvallen gehad. Messen, een flesje met gas dat ze in m'n gezicht spoten, een geweer: ik heb het allemaal gezien. Als je het zo bekijkt, was de eerste overval niet de ergste.

Maar de eerste overval is wel de overval die de meeste indruk maakt. Het is onbegrijpelijk wat er dan met je gebeurt. Er loopt tegen sluitingstijd iemand naar binnen, die grijpt je over de toonbank heen beet, zet een mes op je keel en kijkt je recht in de ogen: geld, hij moest geld hebben.

Ik zal nooit vergeten hoe we elkaar toen aankeken, recht in mekaars ogen. Later zag ik die ogen nog een keer, toen ze hem hadden opgepakt en ik hem moest komen identificeren. Hele koude ogen waren het.

Ik heb dat geld uiteraard maar gegeven. Toen smakte hij me naar achteren. Naar de keuken moest ik. Want ik mocht niet bellen. Daarna ging hij ervandoor.

En dan sta je daar. Dat is een gewaarwording, niet te bevatten gewoon. Je weet ook niet wat je moet doen. Tegen de volgende klant die binnenkwam heb ik geschreeuwd: kijk of je hem nog ziet rennen. Maar hij was al weg. Die klant heeft mij toen geholpen. Dat ik de politie moest bellen en zo.

Dus ja, politie erbij, aangifte doen. En dan maar weer proberen aan het werk te gaan. Ik heb altijd gevonden: als ik het hier naar mijn zin heb, dan laat ik me door zo'n kerel niet over de rooie helpen. Ik ga er niet de winkel voor sluiten en thuis zitten. Dus de andere dag de winkel weer open en door.

Kijk, eerst heb je een periode, dan ben je heel erg bang. Niet alleen voor vreemde klanten in de winkel, maar overal. Dan durf je op een gegeven moment niet eens meer achterom om je vuilnisbak buiten te zetten: misschien staat er wel iemand. Dus zo'n periode.

Totdat dat op een gegeven moment omslaat in: ik laat me er niet onder krijgen. En met die boosheid kan je veel beter omgaan dan met die angst. Angst is zoiets verlammends. Daar kan ik heel slecht tegen. Maar eenmaal boos had ik het gevoel: wacht maar. Ik ben er nooit aan onderdoor gegaan.

Het probleem was alleen: ik had de tijd niet om het te verwerken. Ik kreeg de ene overval na de andere. Een keer had ik iemand die eerst een beetje had rondgelopen en op een gegeven moment, de klanten stonden gewoon in de winkel, haalt hij een stok tevoorschijn en gaat hij op de kassa en de toonbank slaan. En maar roepen: geld, geld, geld. Je schrikt je rot van de agressie. Zelf zit je zo helemaal niet in elkaar. Je bent de hele dag door de vriendelijkheid zelve.

En het was elke keer wat. Dan zat ik hier achter in het kantoortje en keek ik ineens in de loop van een geweer. Ik keek zo in dat gat. Toen ben ik ervandoor gegaan. In een flits ben ik weggehold. Hij riep nog heel hard dat ik terug moest komen. Maar ik dacht: bekijk het, als je schiet, dan mis je misschien. Nou, dan ben je voor je gevoel aan het hollen voor je leven, je springt heggen over, ik wist niet dat ik zo hoog kon springen.

Het is ook een keer gebeurd dat die vent mijn kleren stuk trok. Daar ben ik dagen van uit mijn doen geweest. Kijk, dat geld, dat is heel vervelend, want je staat daar niet voor hen te werken. Maar echt, als ze aan je komen... Ze moeten van je afblijven.

Je bent ook elke keer even bang. Ik heb een collega, die zet meteen een grote mond op als er wat gebeurt. Maar ik niet. De manier alleen al waarop ze binnenkomen, dat agressieve. Je ziet gewoon: daar ben ik geen partij voor. En als ze dan ook nog een mes trekken. En dat voor wat geld, een paar sloffen sigaretten of een stapeltje telefoonkaarten.

Dus wat doe je allemaal: je laat tot boven aan toe tralies voor de ramen zetten, want via het platte dak zouden ze ook nog bij de bovenramen kunnen komen. Zelfs voor de douche zitten nu tralies. Je installeert camera's. Er hangen er hier nu drie, de hele dag neem ik video's op. Het kost me een vermogen. En je laat je op een meldkamer aansluiten. Dat is het dingetje dat om mijn hals hangt: als ik daar op druk, gaat er een waarschuwing naar de meldkamer.

Maar je probeert het vooral te relativeren: iedereen heeft wel wat. Dat leer je ook bij slachtofferhulp, waar ik op een gegeven moment een paar maanden naartoe ben gegaan: elke maandagmiddag een sessie.

Daar zeggen ze tegen je dat iedereen in zijn leven nare dingen meemaakt en dat je moet leren die een plek te geven: oké, dit is me overkomen, maar ik ga door met mijn leven, ik laat me er niet gek door maken.

Ik vond ook: je kunt wel ergens anders iets beginnen, of ander werk zoeken, maar goed beschouwd ben je nergens veilig. Er kan je overal wat gebeuren. Dus daarvoor hoef je de zaak niet weg te doen.

Die slachtofferhulp heeft mij geholpen. Mij is natuurlijk ook nooit lichamelijk letsel aangedaan. Er zaten er op die maandagmiddagen bij waar dat wel bij was gebeurd. Dat is erg, hoor. Volwassen mannen die zitten te huilen als kinderen. Als je ziet dat het bij anderen nog erger is, kun je jouw leed weer een beetje beter behappen. En ik had ook veel steun van mijn man.

Ik heb nooit begrepen waarom ze mij altijd moesten hebben. Ik stond op een gegeven moment in de toptien van overvallen in de stad. De politie zei dat ik niet in mijn eentje in de zaak moest staan: een vrouw alleen is een makkelijke prooi. En ze zeiden dat je waarschijnlijk aan mij kon zien dat ik bang was. Ik was natuurlijk ook gewillig: ik gaf ze het geld.

De meeste overvallers zijn later opgepakt: altijd mannen, wit en zwart door mekaar. Maar ik ben wel teleurgesteld in de politie. Ze onderzochten het lang niet altijd, soms pakten ze iemand op en kwamen ze er daardoor achter dat die ook mij had overvallen. Er is ook twee keer een videoband kwijtgeraakt. Of ze zeiden dat er niks op stond. Daarom draaien we hem nu eerst hier in de winkel voor ze af. Dan weten we allemaal zeker dat er wat op staat.

We hebben op een gegeven moment meegemaakt: een mannetje of drie steelt bij mij een pak krasloten. Ik heb daar beelden van op de video, ga met die band naar de politie en dien een aanklacht in. Zegt die politieman die de aanklacht opschrijft: neem die band maar weer mee mevrouw, daar doen we niks mee, geen tijd. Het was immers maar een pak krasloten.

De andere dag heb ik de wijkagent gebeld en gevraagd of hij langs wilde komen. Ik zeg: luister eens, ik wil dat die drie jongens hier niet meer komen, ik wil ze nooit meer in mijn winkel zien. Het enige dat ik volgens hem kon doen was een briefje achter het raam plakken: dat ik op bepaalde klanten geen prijs meer stelde.

Ik voelde me toen erg in de steek gelaten. Ik stond er dus helemaal alleen voor. Ik ben toen maandenlang bezig geweest om elke keer als die drie jongens in de winkel kwamen te zeggen: luister eens, ik help jullie niet. Nou, dan moet je net zulke jongens hebben: bèh, bèh, bèh, een grote mond van jewelste. Ik zeg: jongens, normen en waarden, die kennen jullie niet, ik wil gewoon niks aan jullie verkopen, ik wil geen cent meer aan jullie verdienen.

Het heeft lang geduurd, hoor. Ik heb gehad dat ze me buiten op stonden te wachten met z'n drieën. En dan tekeergaan. Nou, dan ben je klein. Maar ik had me aangeleerd: ik blijf heel rustig, ik zeg gewoon elke keer dat ze niet meer in de winkel hoeven te komen. En nu komen ze niet meer. Dus ik heb het gered. Maar het heeft me wel wat gekost, iedere keer dat ze binnenkwamen, klopte m'n hart in de keel: daar gaan we weer.

Wat me ook erg dwarszit: op een gegeven moment ging het heel slecht met mij en toen kregen we een tip dat er een instantie bestond die je kon helpen als je een tijdje met je winkel wilde stoppen. Dus toen hadden we bedacht, mijn man en ik: dan gooien we de winkel dicht en vragen we een tijdelijke uitkering aan. En zo gauw als ik er dan weer bovenop zou zijn, zou ik een baan zoeken of bij hem in de stomerij komen staan. Maar het kon niet. Ik kon niet geholpen worden. Het was niet erg genoeg.

Ik vind het ook zo zonde. Deze wijk was altijd zo mooi. Maar heel veel mensen van vroeger zijn weggetrokken. Het is allemaal verpauperd. En als het dan te laat is, komt de overheid met een bom duiten en gaan ze er nieuwbouw neerzetten. Alsof dat de problemen oplost.

Ik snap het ook niet. Waarom zien wij wel van tevoren dat het fout gaat? En waarom lopen zij achter de feiten aan? Zij hebben toch geleerd? Zij moeten dat toch allemaal een beetje vooruitziend kunnen bekijken?

En aan de andere kant gooien met geld. Zo'n gemeenteraad die snoepreisjes maakt. Naar Amerika. Naar New York. Bekijken hoe ze daar met de grafitti omgaan. Ze moesten toch d'r ogen uit d'r hoofd schamen? En als ik dan voor een uitkerinkje kom voor een paar maanden, dan is daar geen geld voor. Dat klopt toch voor geen meter?

Ik ben er de persoon niet naar om mijn hand op te houden. Zolang ik ervoor kan werken, doe ik het graag. Maar als ik dat zie, dan denk ik: ze moesten zich doodschamen. Er is hier ook nooit iemand langs geweest van de politiek toen ik in de toptien van de inbraken stond.

Tien jaar geleden zijn we verhuisd. We wilden de zaak niet kwijt, maar we wilden ergens anders in de stad wonen. En anderhalf jaar geleden heeft mijn man de stomerij verkocht. Nu staan we samen in de zaak. Sinds die tijd zijn er geen overvallen meer geweest.

Achteraf bezien ben ik best trots op mezelf dat ik het heb volgehouden. Ik ben door een diep dal gegaan, maar ik ben er weer uitgeklommen en verder gegaan. Ik ben altijd doorgegaan. En dan hadden mijn kinderen er wel eens genoeg van, maar die zagen ook: mamma vindt het leuk om die winkel te hebben. Ze hadden er begrip voor dat ik doorging. En respect. Mijn zoon staat nu zelf in een winkel. Dus die heeft zich ook niet af laten schrikken.

Het is natuurlijk jammer dat je dit allemaal zo mee hebt moeten maken. Het heeft heel wat nare dagen opgeleverd. En even zovele nare nachten van nachtmerries. Maar het is zo leuk dat je nu al aan de derde generatie staat te verkopen. Dat mensen die je vroeger als kind een snoepje gaf nu hier komen met hun eigen kinderen: de oude garde. Die wonen dan nu misschien wat verder weg, maar ze komen toch altijd nog even langs. Dat is een van de charmes van lang ergens blijven zitten.

Dus ik hoop dat het zo blijft als het nu is. Dan kan ik nog een paar jaar lekker werken.

Je zit hier midden tussen de mensen. Daar geniet ik van. Dat wil ik niet kwijt. Dat laat ik me door zulke galbakken niet afpakken.'